De priesterzegen

[Num. 6:22-27]
22De HEER zei tegen Mozes: 23‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen:
24Moge» de HEER u zegenen en u beschermen,
25moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn,
26moge de HEER u zijn gelaat toewenden» en u vrede geven.”
27Als zij mijn naam over het volk uitspreken, zal ik de Israëlieten zegenen.’
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Num. 6:24] ‘Moge’
Numeri 6:24-26 staat bekend als de hogepriesterlijke zegen. Net zoals in de NBG-vertaling 1951 heeft ook de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) gekozen voor de weergave van de hogepriesterlijke zegen met een aanvoegende wijs. In de NBG 1951 is deze gevormd met behulp van de werkwoorden ‘zegenen’, ‘behoeden’, ‘verheffen’ en ‘geven’. Hoewel dus van ieder werkwoord een aanvoegende wijs gevormd kan worden, is het aantal werkwoorden waarvan deze vorm voorkomt in het hedendaags Nederlands beperkt. De aanvoegende wijs komt nu nog het meeste voor in vaste uitdrukkingen. Het nadeel is dat hij al snel als formeel of archaïsch ervaren wordt. Daarom wordt in de de NBV het gebruik van de aanvoegende wijs zoveel mogelijk beperkt tot vormen van de werkwoorden ‘mogen’ en ‘zijn’. Met behulp van deze werkwoorden kan ook de aanvoegende wijs van andere werkwoorden tot uitdrukking gebracht worden.
Ook de formuleringen met ‘moge’ zijn vrij plechtig, maar in de liturgische tekst van Numeri 6 past dat goed. Vaak is in de de NBV de aanvoegende wijs op een meer gewone manier geformuleerd met ‘laten’, zoals in het onzevader ‘laat uw naam geheiligd worden’ (zie de aantekening bij ‘laat’ in Matteüs 6:9.
[Num. 6:26] ‘gelaat toewenden’
De woorden uit het Hebreeuws die letterlijk vertaald weergegeven zouden kunnen worden met ‘opheffen van het aangezicht’ vormen een beeldspraak met de betekenis ‘met bijzondere aandacht naar iets of iemand zien’. Wat dit inhoudt wordt duidelijk door dit vers te vergelijken met teksten die het tegendeel zeggen. In Genesis 4:5-6 spreekt God tegen Kaïn. In een letterlijke vertaling van deze verzen gaat het over ‘vallen’ van het gezicht: ‘maar aan Kaïn en diens offer schonk hij geen aandacht. En Kaïn werd zeer vertoornd, en zijn gezicht viel. En de HEER zei tegen Kaïn: ‘Waarom ben je vertoornd en waarom is je gelaat gevallen?’ Met deze woorden wordt de woede van Kaïn tot uitdrukking gebracht. Uit Psalm 30:8 blijkt daarnaast dat God wanneer hij zijn gezicht verbergt ook zijn weldaden inhoudt (vergelijk ook Deuteronomium 31:18 en Psalm 44:25). In de priesterzegen wordt daarentegen de weldaad beschreven van Gods blik die gericht is op zijn volk. Ter wille van het register van deze tekst is in de Nieuwe Bijbelvertaling gekozen voor een korte en bondige formulering van de beeldspraak. In de Groot Nieuws Bijbel is de beeldspraak meer geëxpliciteerd.