[1 Joh. 5:1-12]
[5] 1Ieder die gelooft dat Jezus de christus» is, is uit God geboren, en ieder die de Vader liefheeft, heeft ook lief wie uit hem geboren zijn. 2Dat wij Gods kinderen liefhebben weten we doordat we God liefhebben en zijn geboden naleven. 3Want God liefhebben houdt in dat we ons aan zijn geboden houden. Zijn geboden zijn geen zware last, 4want ieder die uit God geboren is, overwint de wereld. En de overwinning op de wereld hebben wij behaald met ons geloof.
5Wie anders kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is? 6Hij, Jezus Christus, is gekomen door water en bloed – niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest getuigt ervan, omdat de Geest de waarheid is. 7Er zijn dus drie getuigen:»* 8de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend. 9Als we het getuigenis van mensen aannemen, zullen we zeker het getuigenis van God aannemen, dat zoveel meer gezag heeft, want het is het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft. 10Wie in de Zoon van God gelooft, draagt het getuigenis in zich. Wie God niet gelooft, maakt hem tot leugenaar, omdat hij geen geloof hecht aan het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft. 11Dit getuigenis luidt: God heeft ons eeuwig leven geschonken en dat leven is in zijn Zoon. 12Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.

Noot
(5:7-8) Er zijn dus drie getuigen: de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend – Andere handschriften lezen: ‘Er zijn dus drie getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de heilige Geest; en deze drie zijn één. En er zijn drie getuigen op de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één’.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling

© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[1 Joh. 5:1] ‘de christus’
In De Nieuwe Bijbelvertaling wordt ho christos steeds vertaald als ‘de messias’. Alleen in 1 Johannes is voor de vertaling ‘de christus’ gekozen. In het conflict waar de Johannesbrief op ingaat, speelt de kwestie of Jezus de door de Joden verwachte messias is, geen rol. Met de weergave ‘de christus’ wordt expliciet een contrast gemaakt met de in deze brief belangrijke term ‘antichrist’ in 1 Johannes 2:18, 2:22 en 4:3.
[1 Joh. 5:7-8] ‘Er zijn dus drie getuigen:’ [...]
In een noot bij 1 Johannes 5:7-8 vermeldt De Nieuwe Bijbelvertaling dat sommige handschriften hier een langere tekst hebben. De langere tekst verwijst naar het leerstuk van de triniteit. Deze versie is echter met zekerheid een latere toevoeging aan de tekst. Het oudste handschrift waarin de lange versie voorkomt, is een Latijnse tekst uit de vierde eeuw. In de daaropvolgende eeuwen verschijnt de lange versie steeds vaker in handschriften met de Latijnse tekst van 1 Johannes. In Griekse handschriften komt deze versie echter niet voor, behalve in een handvol late handschriften, meestal als een toevoeging bij de tekst, gebaseerd op de Latijnse versie. De lange versie gold eeuwenlang als het meest duidelijke bijbelse bewijs voor de triniteit. Theologen waren daarom niet bereid om de onechtheid ervan te accepteren. Zo staat de lange versie zelfs in de standaardtekst van het Griekse Nieuwe Testament die vanaf de zestiende eeuw in omloop kwam (de Textus Receptus). Met de huidige kennis kunnen we echter met zekerheid stellen dat de langere versie een latere toevoeging is.