Marcus 10:13-31, Matteüs 19:13-30 en Lucas 18:15-30 naast elkaar
Marcus 10:13-31
Matteüs 19:13-30
Lucas 18:15-30
13 De mensen probeerden kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen.
13 Daarop brachten de mensen kinderen bij hem, ze wilden dat hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. Toen de leerlingen hen berispten,
15 De mensen probeerden ook kleine kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken. Toen de leerlingen dat zagen, berispten ze hen.
14 Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij.
14 zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet ze niet bij mij te komen, want het koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.’
16 Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij.
15 Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’
17 Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan!’
16 Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen.
15 En nadat hij hun de handen had opgelegd, trok hij weer verder.
17 Toen hij zijn weg vervolgde, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel
16 Nu kwam er iemand naar Jezus toe
18 Een hooggeplaatst persoon
en vroeg:
met de vraag:
vroeg hem:
‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’
‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’
18 Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God.
17 Hij antwoordde: ‘Waarom vraag je me naar het goede? Er is er maar één die goed is. Als je het leven wilt binnengaan,
19 Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, alleen God.
19 U kent de geboden:
houd je dan aan zijn geboden.’
18 ‘Welke?’ vroeg hij. ‘Deze,’ antwoordde Jezus,
20 U kent de geboden:
pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’
‘pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, 19 toon eerbied voor uw vader en moeder, en ook: heb uw naaste lief als uzelf.’
pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’
20 Toen zei de man: ‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’
20 De jongeman zei: ‘Daar houd ik me aan.
Wat kan ik nog meer doen?’
21 De man zei: ‘Aan dat alles heb ik me sinds mijn jeugd gehouden.’
21 Jezus keek hem liefdevol aan en zei tegen hem:
21 Jezus antwoordde hem:
22 Toen Jezus dat hoorde, zei hij:
‘Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij.’
‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij.’
‘Nog één ding ontbreekt u. Verkoop alles wat u hebt en verdeel de opbrengst onder de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij!’
22 Maar de man werd somber toen hij dit hoorde en ging terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
22 Na dit antwoord ging de jongeman terneergeslagen weg; hij had namelijk veel bezittingen.
23 Toen de man dat hoorde, werd hij diepbedroefd. Hij was namelijk zeer rijk.
23 Jezus keek de kring rond en zei tegen zijn leerlingen: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
23 Jezus wendde zich tot zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan.
24 Toen Jezus zag dat de man zo bedroefd werd, zei hij: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.
24 De leerlingen schrokken van zijn woorden.
Maar Jezus zei nog eens uitdrukkelijk: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan:
24 Ik zeg het jullie nog eens:
25 het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
25 Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’
26 Nu waren ze nog meer ontzet, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’
25 Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze hevig ontzet en vroegen: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’
26 Daarop zeiden zijn toehoorders:
‘Wie kan er dan nog gered worden?’
27 Jezus keek hen aan en zei: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.’
26 Jezus keek hen aan en antwoordde hun: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.’
27 Jezus zei: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.’
28 Petrus nam het woord en zei: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten om u te volgen!’
27 Daarop vroeg Petrus: ‘Wij hebben alles achtergelaten en zijn u gevolgd. Waar kunnen wij naar uitzien?’
28 Toen zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles wat we bezaten achtergelaten om u te volgen.’
29 Jezus zei:
‘Ik verzeker jullie:
28 Jezus zei tegen hen:
‘Ik verzeker jullie: wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd wordt, wanneer de Mensenzoon in zijn majesteit zal zetelen op zijn troon, zullen ook jullie die mij gevolgd zijn plaatsnemen op de twaalf tronen en rechtspreken over de twaalf stammen van Israël.
29 Jezus zei tegen hen:
‘Ik verzeker jullie:
iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie,
29 En ieder die broers of zusters, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft achtergelaten omwille van mijn naam,
iedereen die huis of vrouw, broers of zusters, ouders of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van God,
30 zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven.
zal het honderdvoudige ontvangen en deel krijgen aan het eeuwige leven.
30 zal reeds in deze tijd het veelvoudige ontvangen en in de tijd die komt het eeuwige leven.’
31 Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.’
30 Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap