Ezechiël
Structuur [Ezech. 34]
Ezechiël 34 heeft een plaats in het laatste deel van het boek, het deel met daarin voornamelijk heilsprofetieën (vergelijk Structuur [Ezechiël]). Ezechiël 34 bevat de eerste heilsprofetie over het herstel van Israël (de volgende staat in 36:1-15). Toch begint het hoofdstuk met een onheilsprofetie voor de ‘slechte herders’. Dit gedeelte vormt een inleiding op de heilsprofetie voor de ‘schapen’ in Ezechiël 34:11-16 en is ook de keerzijde daarvan.
De onheilsprofetie in Ezechiël 34:1-10 wordt ingeleid met de bekende woordformule en een opdracht aan de profeet (zie Formules in profetische teksten [OT]).
Ezechiël 34 is als volgt opgebouwd:
- Ezechiël 34:1-10: Tegen de herders
- Ezechiël 34:11-16: De HEER als herder van zijn schapen
- Ezechiël 34:17-22: Scheiding tussen de schapen
- Ezechiël 34:23-31: David als nieuwe herder (‘vorst’) van een rijk van vrede; nieuw verbond tussen God en zijn volk