Lucht en leegte

[Pred. 1:2-11]
2Lucht en leegte», zegt Prediker,
lucht en leegte, alles is leegte.
3Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij heeft verworven,
al zijn moeizaam gezwoeg onder de zon»?
4Generaties gaan, generaties komen,
maar de aarde blijft altijd bestaan.
5De zon komt op, de zon gaat onder,
en altijd snelt ze naar de plaats waar ze weer op zal gaan.
6De wind waait naar het zuiden,
dan draait hij naar het noorden.
Hij draait en waait en draait»,
en al draaiend waait de wind weer terug.
7Alle rivieren stromen naar de zee,
toch raakt de zee niet vol.
De rivieren keren om,
ze gaan weer naar de plaats van waar ze komen»,
en beginnen weer opnieuw te stromen.
8Alles is vermoeiend,
zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn.
De ogen van een mens kijken, en vinden geen rust»,
zijn oren horen, en ze blijven horen.
9Wat er was, zal er altijd weer zijn,
wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan.
Er is niets nieuws onder de zon».
10Wanneer men van iets zegt: ‘Kijk, iets nieuws,’
dan is het altijd iets dat er sinds lang vervlogen tijden is geweest.
11De vroegere generaties» zijn vergeten,
en ook de komende zullen weer worden vergeten.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Pred. 1:2] ‘Lucht en leegte’
De Hebreeuwse uitdrukking die traditioneel met ‘ijdelheid der ijdelheden’ werd weergegeven, heeft in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) een nieuwe vertaling gekregen. In het hele bijbelboek komen de woorden ‘ijdelheid’, ‘ijdel’ of ‘ijl’ niet meer voor. Hiermee onderscheidt de NBV zich, behalve van de Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951, ook van de Groot Nieuws Bijbel en de Willibrordvertaling. De vertalers van de NBV zijn van mening dat de uitdrukking ‘lucht en leegte’ beter tegemoetkomt aan wat de Hebreeuwse uitdrukking in het moderne Nederlands betekent. De woorden ‘ijdel’ en ‘ijdelheid’ hebben een betekenis gekregen van eigendunk en praalzucht. De bedoelde betekenis van ‘ijdel’ of ‘ijdelheid’ (leegte, nietigheid) is voor mensen die er niet mee vertrouwd zijn dus naar de achtergrond geschoven.
De uitdrukking ‘lucht en leegte’ past goed bij de natuurmetaforen in Prediker 1:2-11, zoals de zon, de wind en de rivieren. Ook de uitdrukking in de brontekst haveel havalim is nadrukkelijk bedoeld als natuurmetafoor. De vertaling in de NBV ligt dicht bij de letterlijke vertaling en blijft in de natuursfeer.
De Hebreeuwse constructie heeft de functie van een superlatief. Dit geldt ook voor de hebraïstische Nederlandse vorm ‘ijdelheid der ijdelheden’. Maar ook van ‘lucht en leegte’ kan gezegd worden dat dit een superlatieve constructie is. Aangezien de uitdrukking ‘lucht der lucht’ of ‘lucht van lucht’ weinig veelzeggend is, is gekozen voor de tautologie ‘lucht en leegte’. De tautologie heeft een intensiverende werking, net als bijvoorbeeld ‘klip en klaar’.
Bovendien wordt met de alliteratie in ‘lucht en leegte’ recht gedaan aan de alliteratie van haveel havalim.
Met de keuze voor deze uitdrukking wordt dus tegemoetgekomen aan de eisen van modern Nederlands en ook aan de eis allerlei functionele vormkenmerken van de brontekst in de vertaling te verdisconteren.
[Pred. 1:3,9] ‘onder de zon’
Zie ‘Onder de zon’ [Prediker].
[Pred. 1:6] ‘Hij draait en waait en draait’
In Prediker 1:6 staat de wind centraal. Er wordt opgemerkt dat de wind draait en waait en draait. In de Hebreeuwse tekst staat het woord ‘wind’ zowel aan het einde als aan het begin van het vers. Hiermee wordt de beschreven kringloop nog eens extra benadrukt. Ook in de Nieuwe Bijbelvertaling is gekozen voor deze symbolisering van de eeuwigdurende natuurlijke cyclus: het vers begint met ‘de wind waait’ en eindigt met ‘waait de wind weer terug’.
Veel aandacht is besteed aan het klankspel in dit vers. Zo bevat ‘en al draaiend waait de wind weer terug’ een mooie alliteratie en de verschillende a-klanken zorgen ervoor dat het poëtische karakter van de brontekst duidelijk zichtbaar wordt.
[Pred. 1:7] ‘de plaats van waar ze komen’
‘De plaats’ van waar de rivieren stromen om weer verder te stromen, kan op twee manieren worden geïnterpreteerd. De eerste mogelijkheid is dat hiermee bedoeld wordt dat de rivieren naar en vanuit de zee stromen en de tweede mogelijkheid is dat ‘de plaats’ de bron is van de rivieren. In dat geval keren de rivieren terug naar hun plaats van oorsprong om daarna weer naar de zee te stromen. Die voorstelling past goed bij de opmerking dat de zee niet vol raakt van het rivierwater. De kringloop van het water past dan ook goed bij de kringloop van de zon en de wind (Prediker 1:5 en 1:6).
[Pred. 1:8] ‘geen rust’
De NBG-vertaling 1951 vertaalt in dit vers met: ‘Het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen.’ De consequentie van die vertaling is dat de tekst zo geïnterpreteerd kan worden: er is zo veel nieuws onder de zon, dat het allemaal niet bij te houden is. Ook andere vertalingen vertalen op een soortgelijke manier. Dit is echter in strijd met Prediker 1:9: er is niets nieuws onder de zon. Daaruit blijkt juist dat alles op dezelfde manier doorgaat. Geen rusteloosheid dus, maar monotonie.
[Pred. 1:11] ‘generaties’
Uit de brontekst blijkt niet duidelijk hoe dit vers moet worden geïnterpreteerd. Letterlijk vertaald zou dit vers luiden: ‘Er is geen herinnering aan de eersten en ook niet aan de lateren die er zullen zijn’. De woorden ‘eersten’ en ‘laatsten’ kunnen verwijzen naar lang vervlogen tijden (Prediker 1:10), iets nieuws (1:10) of generaties (1:4). Er is gekozen voor deze laatste optie vanwege het cyclusmotief: Prediker 1:2-11 begint met de cyclus van komende en gaande generaties en eindigt er ook mee.