Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Op. 21:1-22:5)
Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

[Op. 21:1-22:5]
[21] 1Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn» voorbij, en de zee is er niet meer. 2Toen zag ik de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij God vandaan. Ze was als een bruid die zich mooi heeft gemaakt voor haar man en hem opwacht». 3Ik hoorde een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Gods woonplaats» is onder de mensen, hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God» bij hen zijn. 4Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij.’
5Hij die op de troon zat zei: ‘Alles maak ik nieuw!’ – Ik hoorde zeggen: ‘Schrijf het op, want wat hier wordt gezegd is betrouwbaar en waar.’ – 6Toen zei hij tegen mij: ‘Het is voltrokken! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft geef ik vrij te drinken uit de bron met water dat leven geeft». 7Wie overwint komen al deze dingen toe. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind» zijn. 8Maar voor hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, toverij of afgodendienst, voor allen die de leugen hebben gediend: hun deel is de vuurpoel met brandende zwavel, dat is de tweede dood.’
9Een van de zeven engelen met de offerschalen die gevuld waren met de laatste zeven plagen kwam op me af en zei: ‘Ik wil je de bruid laten zien, de vrouw van het lam.’ 10Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan. 11De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis». 12Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. 13Vanuit het oosten gezien waren er drie poorten, vanuit» het noorden drie, vanuit» het zuiden drie en vanuit» het westen drie. 14De stadsmuur had twaalf grondstenen, met daarop de namen van de twaalf apostelen van het lam. 15Degene die met mij sprak had een gouden meetstok om daarmee de stad, de poorten en de muur op te meten. 16De stad was vierkant, even lang als breed. Hij mat de stad met zijn meetstok: twaalfduizend stadie», zowel in de lengte als in de breedte en in de hoogte. 17Hij mat de stadsmuur: honderdvierenveertig el», in gewone mensenmaat, die ook engelenmaat is. 18De muur was gemaakt van jaspis», en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas. 19De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuur, de derde kornalijn, de vierde smaragd, 20de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist. 21De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. 22Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het lam. 23De stad heeft het licht van de zon en de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam is haar licht. 24De volken zullen in haar licht leven» en de koningen op aarde betuigen daar hun lof». 25De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. 26De volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen. 27Maar alles wat verwerpelijk is en iedereen die zich met gruwelijke dingen en leugens inlaat, komt de stad niet binnen, alleen zij die in het boek van het leven staan, het boek van het lam.
[22] 1Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam. 2In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom», die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing. 3Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. De troon van God en van het lam zal daar in de stad staan. Zijn dienaren zullen hem vereren 4en hem met eigen ogen zien, en zijn naam staat op hun voorhoofd. 5Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn. En zij zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Op. 21:1] ‘zijn’
De meeste vertalingen hebben in deze regel driemaal een verleden tijd: ‘zag’, ‘waren voorbij’ en ‘was’. In het Grieks staat het laatste werkwoord in de tegenwoordige tijd. In de Nieuwe Bijbelvertaling is ook het daaraan voorafgaande werkwoord met een tegenwoordige tijd vertaald: ‘de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij’ en ‘de zee is er niet meer’. Hiermee krijgt de tekst in het Nederlands een enigszins spreektalig karakter, en dat correspondeert goed met de gebrekkige stijl in delen van Openbaring.
[Op. 21:2] ‘opwacht’
In andere vertalingen is dit werkwoord, dat ‘klaarstaan’ betekent, vertaald met ‘gereed’ (Willibrordvertaling) of ‘getooid’ (NBG-vertaling 1951).
[Op. 21:3] ‘woonplaats’
Voor het Griekse skênê is de algemene betekenis ‘woonplaats’ gekozen en niet het specifieke ‘tent’ zodat de overeenkomst met het werkwoord skenoô ook in het Nederlands zichtbaar is.
[Op. 21:3] ‘als hun God’
Deze woorden zijn in sommige bijbelvertalingen (bijvoorbeeld de NBG-vertaling 1951) niet terug te vinden. Dat komt doordat ze in sommige Griekse handschriften van Openbaring niet opgenomen zijn. Het is heel moeilijk vast te stellen of ze oorspronkelijk wel of niet bij de tekst hoorden: enerzijds lijken ze inhoudelijk zo overbodig dat het goed mogelijk is dat een overschrijver ze heeft weggelaten; anderzijds kunnen ze ook toegevoegd zijn door een overschrijver die het punt dat in deze verzen gemaakt wordt nog helderder wilde maken. In de nieuwste editie van het Griekse Nieuwe Testament staan de woorden tussen vierkante teksthaken om te laten zien dat onzeker is of ze bij de oorspronkelijke tekst horen of niet. In de Nieuwe Bijbelvertaling worden echter geen vierkante teksthaken gebruikt; de vertalers hebben in dit geval besloten de woorden tussen haken mee te vertalen. (Zie Gebruikte Griekse NT-brontekst [NT].)
[Op. 21:6] ‘water dat leven geeft’
In oudere vertalingen staat hier ‘water des levens’. De Griekse genitief-constructie kan zowel met ‘X van Y’ als met ‘X voor Y’ vertaald worden. Hier is voor het tweede gekozen, net als in de formulering ‘het brood dat leven geeft’ in Johannes 6:35 en 48.
[Op. 21:7] ‘kind’
In het Grieks staat hier het woord huios, letterlijk vertaald ‘zoon’. Maar waar de brontekst inclusief of niet expliciet exclusief bedoeld is, is in de Nieuwe Bijbelvertaling exclusief taalgebruik vermeden; daarom is hier met ‘kind’ vertaald.
[Op. 21:11,18] ‘jaspis’
Zie Edelstenen [Op. 21].
[Op. 21:13] ‘vanuit’
In de Nederlandse vertalingen wordt het voorzetsel apo telkens anders vertaald: aan, op, naar, vanuit. In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt met ‘vanuit [...] gezien’ duidelijk van buitenaf tegen de stad aangekeken.
[Op. 21:16] ‘stadie’
[Op. 21:17] ‘el’
Sommige moderne Engelse vertalingen rekenen in Openbaring 21:16 en 21:17 de maten om en komen op ‘fifteen hundred miles’ en ‘two hundred sixteen feet’. In de Nieuwe Bijbelvertaling zijn maten en gewichten niet omgerekend naar moderne equivalenten als kilogram en meter. In Openbaring gaat daardoor de getallensymboliek, die vaak zo’n belangrijke rol speelt, niet verloren.
[Op. 21:24] ‘in haar licht leven’
[Op. 21:24] ‘betuigen daar hun lof’
Woordelijk vertaald staat hier ‘brengen hun ‘heerlijkheid’’ (zie ook de NBG-vertaling 1951). Een aantal vertalingen kiest hier voor een concrete vertaling van doxa: ‘rijkdommen’ in de Groot Nieuws Bijbel, ‘kostbaarheden’ in de Willibrordvertaling. In de Nieuwe Bijbelvertaling is van de abstracte betekenis van doxa uitgegaan, die in de woordcombinatie doxa kai timê vaker in Openbaring voorkomt.
[Op. 22:2] ‘een levensboom’
Dit vers geeft logisch gezien een onmogelijke voorstelling van zaken: midden op het plein en aan weerskanten van de rivier één levensboom. In dit vers is een aantal beelden gecombineerd: ‘in het midden van’ is ontleend aan Genesis 2:9, waar sprake is van de levensboom ‘in het midden van’ de tuin. ‘Aan weerskanten’ is ontleend aan Ezechiël 47:12, waar sprake is van (meerdere) bomen aan weerszijden van de rivier. Sommige vertalingen, zoals de NBG-vertaling 1951 en de Groot Nieuws Bijbel, vatten het enkelvoud zulon op als een collectief, ‘geboomte’. In de Nieuwe Bijbelvertaling is de vertaling niet logischer gemaakt dan de brontekst. Zie Stijl [Op. 21:1-22:5]. Bovendien is in het vervolg van Openbaring 22:2 en ook verderop (22:14 en 22:19) sprake van de ene levensboom.