Jona


[Jona 1:1-4:11]
[1] 1Eens richtte de HEER zich tot Jona», de zoon van Amittai: 2Maak je gereed» en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen», want het kwaad» dat ze daar doen is ten hemel schreiend».’ 3En Jona maakte zich gereed, maar» vluchtte naar Tarsis, weg van de HEER. Hij ging naar Jafo en vond er een schip met bestemming Tarsis. Hij betaalde de overtocht» en ging aan boord om mee te varen naar Tarsis, weg van de HEER.
4Maar de HEER wierp» een hevige storm op de zee, en de zee werd zo wild dat het schip dreigde te breken. 5De zeelieden werden bang», en ieder riep tot zijn eigen god om hulp. Ook gooiden ze, om het gevaar» af te wenden, de lading in zee. Maar Jona was in het ruim van het schip afgedaald, was daar gaan liggen en in een diepe slaap gevallen. 6De schipper ging naar hem toe en zei tegen hem: ‘Wat lig jij hier te slapen! Sta op, roep je God aan! Misschien dat hij zich om ons bekommert, zodat we niet vergaan.’ 7Intussen overlegden de zeelieden: ‘Laten we het lot werpen om te weten te komen wiens schuld het is dat deze ramp ons treft.’ Ze wierpen het lot, en het lot viel op Jona. 8Toen zeiden ze tegen hem: ‘Vertel ons: Hoe komt het dat deze ramp ons treft? Wat doe je hier aan boord? Waar kom je vandaan? Uit welk land kom je? Bij welk volk hoor je?’ 9Jona antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeër en ik vereer» de HEER, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft.’ 10De mannen werden doodsbang, en toen ze van hem hoorden» dat hij was weggevlucht van de HEER, zeiden ze tegen hem: ‘Hoe heb je dat kunnen doen?’ 11En ze vroegen hem: ‘Wat moeten we met je doen, dat de zee ons met rust laat?’ Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger». 12Hij antwoordde: ‘Gooi» me in zee, dan zal de zee jullie met rust laten. Want ik weet dat het mijn schuld is dat deze storm zo tegen jullie tekeergaat.’ 13Maar de mannen roeiden uit alle macht» om weer aan land te komen; dat lukte hun echter niet, want de zee ging steeds onstuimiger tegen hen tekeer. 14Toen riepen ze tot de HEER: ‘Ach HEER, laat ons toch niet vergaan als wij het leven van deze man opofferen. Reken het ons niet aan als hier een onschuldige» sterft. U bent de HEER, al wat u wilt dat doet u!»15Toen tilden ze Jona op en gooiden hem in zee, en de woede van de zee bedaarde. 16De mannen werden vervuld van bang ontzag» voor de HEER. Ze brachten hem een offer en deden hem geloften.
[2] 1De HEER liet» Jona opslokken» door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis.* 2Toen begon hij in de buik van de vis tot de HEER, zijn God, te bidden:


3‘In mijn nood roep» ik de HEER aan
en hij antwoordt mij.
Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp –
u hoort mijn stem!
4U slingerde» mij de diepte in, naar het hart van de zee.
Door kolkend water» ben ik omgeven,
zwaar» slaan uw golven over mij heen.
5Ik dacht: Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen.
Maar eens» zal ik opnieuw
uw heilige tempel aanschouwen.
6Het water stijgt tot aan mijn lippen»,
muren van water storten op mij neer,
zeewier om mijn hoofd verstikt» mij.
7Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen,
naar het rijk» dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.
Maar u trekt mij levend uit de dood» omhoog,
o HEER, mijn God!
8Nu mijn levensadem» mij verlaat
roep ik u aan», HEER,
en mijn gebed komt tot u
in uw heilige tempel.
9Zij die armzalige afgoden vereren,
verlaten u, trouwe God».
10Maar ik zal mijn stem in dank verheffen
en u offers brengen;
mijn geloften los ik in.
Het is de HEER die redt!’


11Toen, op bevel van de HEER, spuwde de vis Jona uit op het land.


[3] 1Opnieuw richtte de HEER zich tot Jona: 2‘Maak je gereed en ga naar Nineve, die grote stad, om haar aan te klagen» met de woorden die ik je zeg».’ 3En Jona maakte zich gereed en ging naar Nineve, zoals de HEER hem opgedragen» had.
Nineve was een reusachtige» stad, ter grootte van» drie dagreizen. 4Jona trok de stad in, één dagreis ver, en riep»: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve weggevaagd!’ 5De inwoners» van Nineve geloofden God: ze riepen een vasten uit en iedereen, van hoog tot laag», hulde zich in een boetekleed». 6Toen de profetie» de koning van Nineve bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af en ging, gehuld in een boetekleed, op de grond zitten». 7En hij liet in Nineve omroepen»: ‘Volgens bevel van de koning en zijn edelen» is het niemand toegestaan te eten of te drinken, mens noch dier, rund noch schaap of geit». De dieren mogen niet grazen of water drinken. 8Iedereen, mens en dier, moet zich hullen in een boetekleed en luidkeels God aanroepen. Laat iedereen anders» gaan leven en breken met het onrecht dat hij doet. 9Misschien» dat God van gedachten verandert» en op zijn besluit terugkomt; wie weet zal hij zijn woede» laten varen, zodat wij niet te gronde gaan.’ 10Toen God zag dat zij inderdaad anders» begonnen te leven, kwam hij terug op wat hij gedreigd had hun aan te doen, en hij deed het niet.
[4] 1Dit wekte grote ergernis» bij Jona en hij werd kwaad». 2Hij bad tot de HEER: ‘Ach HEER, heb ik het niet gezegd toen ik nog thuis was? Daarom wilde ik naar Tarsis vluchten. Ik wist het wel: u bent een God die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid». 3Laat mij maar sterven, HEER: ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’ 4Maar de HEER zei: ‘Is het terecht dat je zo kwaad» bent?’
5Nadat Jona Nineve had verlaten, was hij aan de oostkant van de stad gaan zitten. Hij had er een hut gemaakt om in de schaduw af te wachten wat er met de stad zou gebeuren. 6Nu liet» God, de HEER, een wonderboom» opschieten om Jona schaduw boven zijn hoofd te geven en zijn ergernis te verdrijven. Jona was opgetogen over de plant. 7Maar de volgende morgen, bij het aanbreken van de dag, liet» God de plant door een worm aanvreten, zodat hij verdorde. 8En toen de zon opkwam, liet» God een verzengende wind uit het oosten waaien; de zon brandde zo op Jona’s hoofd dat hij door de hitte werd bevangen. Hij bad om te mogen sterven: ‘Ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet leven.’ 9Maar God zei tegen Jona: ‘Is het terecht dat je zo kwaad» bent over die plant?’ Jona antwoordde: ‘Ik ben verschrikkelijk» kwaad», en terecht»!’ 10Toen zei de HEER: ‘Als jij al verdriet hebt om die wonderboom, waar jij geen enkele moeite voor hebt hoeven doen en die jij niet hebt laten groeien, een plant die in één nacht opkwam en in één nacht verging, 11zou ik dan geen verdriet hebben om Nineve, die grote stad, waar meer dan honderdtwintigduizend mensen wonen die het verschil tussen links en rechts niet eens kennen, en dan nog al die dieren»?’

Noot
(2:1-11) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:17-2:10.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Jona 1:1] ‘Eens richtte de HEER zich tot Jona’
De openingszin van Jona typeert het boek als profetenverhaal. De formule die hier wordt gebruikt komt vaak voor in profetische literatuur. Over het vertalen van formules zijn voor de Nieuwe Bijbelvertaling afspraken gemaakt, zodat ze ook als formule in de vertaling te herkennen zijn. De formule op deze plaats is volgens afspraak vertaald met ‘de HEER richtte zich tot’ (vergelijk NBG-vertaling 1951 ‘Het woord des HEREN kwam tot Jona’), en is hier gekoppeld aan het bijwoord van tijd ‘eens’ om het boek Jona al aan het begin als een vertelling te typeren.
[Jona 1:2] ‘Maak je gereed’
Dit is de eerste plaats waar in het Hebreeuws het werkwoord qoem wordt gebruikt. Het werkwoord, dat ‘opstaan’ betekent of het begin van een beweging aangeeft, komt hierna nog voor in Jona 1:3, 1:6 en 3:2, 3:3, 3:6. In de Nieuwe Bijbelvertaling is het werkwoord in Jona 1:2, 1:3 en 2:2, 2:3 telkens vertaald met ‘zich gereedmaken’. Op deze manier wordt ook in de vertaling de herhaling van het begrip duidelijk. Bovendien is bij de vertaling van deze verzen in Jona 1 rekening gehouden met de letterlijke herhaling in 3.
[Jona 1:2; 3:2] ‘aan te klagen’
Het begin van Jona 1 is vrijwel identiek aan het begin van Jona 3, tot op het moment dat in het Hebreeuws van Jona 1 de combinatie qara ‘al, ‘roepen tegen’, verschijnt, terwijl in Jona 3 een ander voorzetsel is gebruikt bij hetzelfde werkwoord: qara ’el ‘roepen tot’. Het is de vraag of dit verschil ook een verschil in betekenis met zich meebrengt. Is misschien de klank van qara ‘al in Jona 1:2 negatief, terwijl de uitdrukking in 3:2 positiever klinkt?
Over het antwoord op deze vraag verschillen de meningen. Op grond van vergelijkingen met andere teksten waar het werkwoord ‘roepen’ in combinatie met een voorzetsel wordt gebruikt, en op grond van het feit dat een variatie bij de auteur van Jona, die verder geen problemen maakt van letterlijke herhalingen, opvallend is, lijkt het voor de hand te liggen dat in Jona 1:2 een negatieve klank in het ‘roepen’ verondersteld moet worden. Neutrale termen als ‘prediken’ of ‘profeteren’ passen dan ook niet. Tegelijkertijd is het echter van groot belang dat de parallellie tussen Jona 1 en 3 duidelijk in de vertaling uitkomt. Wanneer in Jona 3 wél een neutraal woord gekozen zou worden, zou namelijk de indruk kunnen ontstaan dat Jona hier ineens een geheel andere boodschap brengt. Daarom is in de Nieuwe Bijbelvertaling in beide gevallen voor ‘aanklagen’ gekozen; uit het vervolg van het vers blijkt het verschil: in Jona 1:2 valt de nadruk op de negatieve zijde van het aanklagen, in 3:2 op het handelen in overeenstemming met de opdracht.
[Jona 1:2] ‘kwaad’
Het woord ra‘a ‘kwaad’, komt in Jona zo vaak voor dat het gezien kan worden als sleutelwoord in het verhaal. De verteller maakt tegelijkertijd echter ook gebruik van de meerduidigheid van het woord. De context bepaalt daarom welk betekenisaspect van het woord wordt geaccentueerd. Bij een strikt concordante vertaling gaat het effect van de meerduidigheid verloren. De betekenis van het begrip wordt op die manier beperkt tot één aspect. Om die reden is in de Nieuwe Bijbelvertaling het woord ra‘a in het boek Jona vertaald met behulp van verwante begrippen, zoals: kwaad, ramp, ergernis.
[Jona 1:2] ‘ten hemel schreiend’
Jona 1:2 bevat de voorstelling dat ‘hun slechtheid is opgeklommen voor mijn aangezicht’. Dit wil zeggen dat de slechtheid van de Ninevieten door God niet langer genegeerd kan worden. De Hebreeuwse uitdrukking zou je bijna letterlijk op kunnen vatten, maar is hier een beeld van een ten hemel schreiend kwaad.
[Jona 1:3] ‘maar’
In Jona 1:2 en 1:3 wordt het werkwoord qoem, ‘opstaan’, gebruikt. Dat wordt in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald met ‘zich gereed maken’. Door de herhaling lijkt het er in eerste instantie op dat Jona de opdracht van God ten uitvoer brengt. Pas uit het woord ‘maar’ en de woorden die daarop volgen, blijkt dat Jona helemaal niet gehoorzaamt aan Gods opdracht. Het gebruik van ‘maar’ is in de NBV zo lang mogelijk uitgesteld zodat er in de vertaling een verrassingseffect teweeg wordt gebracht.
Bij de vertaling van deze verzen is rekening gehouden met de letterlijke herhaling in Jona 3.
[Jona 1:3] ‘overtocht’
De meningen verschillen over de vraag of Jona hier alleen de reis betaalt, of dat hij het hele schip afhuurt voor zijn vlucht. Het Hebreeuws heeft hier het woord sachar, dat vertaald kan worden met ‘loon’. Het meest voor de hand liggend is dat hier een neutrale mededeling wordt gedaan binnen het verhaal over Jona’s vlucht. Met de vertaling ‘hij betaalde de overtocht’ sluit de Nieuwe Bijbelvertaling zich daarom aan bij de meeste andere vertalingen.
[Jona 1:4] ‘wierp’
Het werkwoord toel, dat vertaald kan worden met woorden uit het betekenisveld van ‘gooien’, ‘slingeren’ of ‘smijten’, behoort tot de categorie woorden die binnen Jona vaak worden herhaald. Er worden in het eerste hoofdstuk veel dingen ‘in zee geworpen’.
De uitdrukking ‘hij wierp een hevige storm op zee’ is voor het hedendaags Nederlands geen gewone manier van zeggen. Toch is dit in de Nieuwe Bijbelvertaling op deze manier gehandhaafd, omdat het meer te maken heeft met het wereldbeeld uit de ontstaanstijd van dit bijbelboek dan met de taal waarin het geschreven is: God wordt heel antropomorf beschreven: hij werpt de storm letterlijk op de zee.
[Jona 1:5] ‘bang’
Voor de vertaling van het werkwoord jaree’, dat in de Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951 is vertaald met ‘vrezen’, zijn de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) wat betreft het handhaven van de concordantie (met ‘bang’) vrij ver gegaan. Het gaat hier niet alleen om een thematisch sleutelwoord, maar ook om een woord dat de auteur van Jona heeft gebruikt om het effect van een climax te bereiken. Een strikt concordante vertaling maakt het onmogelijk de groei in angst duidelijk te maken. Met behulp van beperkte concordantie is daarom recht gedaan aan de thematische herhaling van het woord en aan de groeiende spanning. Vandaar in de NBV de woordkeuze ‘bang’ in Jona 1:5, ‘doodsbang’ in 1:10 en ‘bang ontzag’ in 1:16. (Zie ook de aantekening bij ‘vereer’ in Jona 1:9.)
[Jona 1:5] ‘gevaar’
In de meeste vertalingen (Statenvertaling, NBG-vertaling 1951, Willibrordvertaling en Groot Nieuws Bijbel) gooit de bemanning van het schip de lading overboord om het schip lichter te maken. Het Hebreeuws spreekt echter niet letterlijk over het lichter maken van het schip, maar zegt: ‘om te verlichten van hen’. Het voorzetsel me‘al, ‘van’, geeft hier aan dat er een last drukte op de zeelieden. In hun nood proberen zij door te bidden en het overboord gooien van de lading voor zichzelf verlichting te verkrijgen. Dat is in de Nieuwe Bijbelvertaling weergegeven met ‘om het gevaar af te wenden’.
[Jona 1:9] ‘vereer’
Op deze plaats heeft het Hebreeuws een vorm van het werkwoord jaree, ‘vrezen’. In de Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951 is het hier en in Jona 1:5, 1:10 en 1:16 strikt concordant vertaald met ‘vrezen’. In de Nieuwe Bijbelvertaling is echter in dit vers rekening gehouden met de aard van de tekst. Jona spreekt hier een soort belijdenis uit, die aan het werkwoord een heel ander karakter geeft dan dit heeft in de overige drie verzen waarin het voorkomt. (Zie ook de aantekening bij ‘bang’ in Jona 1:5.)
[Jona 1:10] ‘hoorden’
De angst van de mannen volgt zowel in het Hebreeuws als in de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) direct op Jona’s antwoord in Jona 1:9. Het is van belang te zien dat Jona daar niet alleen zegt dat hij de HEER vereert, maar dat hij in verbinding staat met de God die de zee en het land gemaakt heeft. Juist van dit laatste schrikken de zeelieden, wat begrijpelijk is gezien de storm. Door de aansluiting van dit vers bij Jona 1:9 is de verteller genoodzaakt de rest van de informatie van Jona in een flashback onder te brengen.
Nu laat het Hebreeuws twee mogelijke interpretaties toe: Jona vertelt midden in de storm en na zijn belijdenis uit Jona 1:9 dat hij voor de HEER is gevlucht óf Jona heeft dit al verteld op het moment dat hij aan boord van het schip ging. Afhankelijk van de gevolgde interpretatie wordt het werkwoord jada‘ vertaald met ‘horen’ (in de zin van ‘vernemen, te weten komen’) of met ‘weten’. Dat laatste gebeurt onder meer in de Groot Nieuws Bijbel: ‘zij wisten dat hij op de vlucht was [...] dat had hij hun verteld.’ In de NBV is de eerste mogelijkheid gekozen: ‘toen ze van hem hoorden dat hij was weggevlucht’.
[Jona 1:11] ‘onstuimiger’
Het Hebreeuwse woord dat ten grondslag ligt aan deze vertaling, komt in hoofdstuk 1 vier keer voor. Net zoals bij het werkwoord voor ‘bang zijn’ (zie Jona 1:5, 1:10 en 1:16) wordt ook dit woord gebruikt om het effect van een climax te bereiken. In Jona 1:4, 1:11, 1:12 en 1:13 schetst de auteur een situatie waarin de storm steeds groter en krachtiger wordt. Vandaar de woordkeuze ‘wild’ in Jona 1:4, ‘onstuimiger’ in 1:11, ‘tekeergaan’ in 1:12 en ‘steeds onstuimiger tekeergaan’ in 1:13.
[Jona 1:12] ‘Gooi’
In Jona 1:4, 1:5, 1:7, 1:12 en 1:15 komen twee verschillende werkwoorden voor die vertaald kunnen worden met woorden uit het betekenisveld van ‘gooien’, ‘slingeren’ of ‘smijten’ (toel en nafal). Omdat de herhaling van deze werkwoorden bijdragen aan het karakter van het verhaal zijn de werkwoorden concordant vertaald. Wel is hierbij rekening gehouden met de context en eisen van het Nederlands. Zo is het onmogelijk in Jona 1:7 in de vertaling een ander werkwoord te gebruiken dan ‘werpen’, omdat dit werkwoord vast verbonden is met ‘het lot’. Wanneer Jona tegen de zeelieden spreekt, zou ‘werpen’ erg formeel klinken; het gewonere ‘gooien’ past beter.
[Jona 1:13] ‘uit alle macht’
Het werkwoord dat in Jona 1:13 gebruikt wordt voor roeien (chatar) betekent letterlijk ‘graven’. Het komt ook voor in Job 24:16, Ezechiël 8:8; 12:5, 12:7, 12:12 en Amos 9:2. In de context van Jona 1 verwijst het ‘graven’ naar de grote krachtsinspanning die nodig is bij de poging Jona op het droge te krijgen en die vertaald is in ‘uit alle macht roeien’.
[Jona 1:14] ‘onschuldige’
Het tweede deel van het gebed dat de zeelui richten tot de HEER, sluit nauw aan bij het eerste deel. Deze zin maakt in feite het eerste deel expliciet. Het Hebreeuws heeft hier letterlijk: ‘geef over ons geen onschuldig bloed’. Met ‘onschuldig bloed’ wordt niet iets gezegd over de aard van het bloed, maar wordt verwezen naar de mens wiens bloed vergoten wordt, of zoals hier het geval is, wiens leven opgeofferd wordt. De bescherming van ‘onschuldig bloed’ wordt geregeld in Deuteronomium 19 (zie met name 19:10). De zeelui bidden tot God dat hij hun actie niet als opzettelijke moord beschouwt. Jona heeft immers tegen hen niets misdreven en is dus ten opzichte van hen volkomen onschuldig.
[Jona 1:14] ‘U bent de HEER, al wat u wilt dat doet u!’
Deze uitspraak komt uit de mond van de zeelieden wat hoogdravend over (onder meer door ‘al’ in plaats van ‘alles’). Deze breuk in het taalniveau is echter goed te verklaren. De uitspraak heeft nadrukkelijk het karakter van een belijdenis: de auteur van Jona legt de participanten een bestaand ‘credo’ in de mond, zoals dit in Jona vaker gebeurt (zie ook de aantekening bij ‘en tot vergeving bereid’ in Jona 4:2). Een soortgelijk credo komt voor in Psalm 115:3 en 135:6.
[Jona 1:16] ‘bang ontzag’
De uitdrukking ‘bang ontzag’ is in het Nederlands ongebruikelijk, hoewel niet onmogelijk. Deze combinatie doet recht aan de beide aspecten die het woord ‘vrezen’, zoals dat in de Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951 is gebruikt, heeft: enerzijds het aspect van angst en anderzijds het aspect van heilig ontzag.
[Jona 2:1; 4:6,7,8] ‘liet’
In Jona 2:1, 4:6, 4:7 en 4:8 komt het werkwoord mana, ‘beschikken’, op exact dezelfde wijze voor. Omdat het een belangrijk motiefwoord is, waarmee de soevereiniteit van de HEER onderstreept wordt, moet het ook concordant vertaald worden. Dat is echter niet eenvoudig. Er zijn verschillende mogelijkheden, die elk ook een nadeel hebben. Zo zou steeds de uitdrukking ‘in opdracht van de HEER’ gebruikt kunnen worden. Deze keuze trekt echter veel aandacht naar zich toe wanneer ze in Jona 4 drie keer heel kort achter elkaar voorkomt. Een andere optie is vertalen met het werkwoord ‘zenden’, zoals de Willibrordvertaling doet in Jona 2:1. Dit werkwoord is echter beperkt inzetbaar: je kunt wel een vis zenden of sturen, maar in Jona 4:6 geen boom.
In de Nieuwe Bijbelvertaling is er daarom voor gekozen gebruik te maken van het hulpwerkwoord ‘laten’ in de zin van: ‘zorgen dat een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt’. In het Nederlands is dit werkwoord op verschillende manieren inzetbaar.
[Jona 2:1] ‘opslokken’
De vis is niet zozeer een instrument van redding, maar betekent voor Jona allereerst onheil. Daarom spreekt de psalm van Jona over het binnenste van de vis als het ‘rijk van de dood’ (Jona 2:3). De negatieve connotaties van het werkwoord ‘opslokken, verzwelgen’ passen bij het als monster voorgestelde dodenrijk (Spreuken 1:12; Jesaja 5:14; Habakuk 2:5). Ook in het Nieuwe Testament wordt de vis van Jona met de dood geassocieerd (Matteüs 12:40).
[Jona 2:3] ‘roep’
In het Hebreeuws is aan de werkwoordsvorm niet te zien of het een verleden tijd of tegenwoordige tijd is. Veel vertalingen, zoals de Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951, hebben de psalm van Jona vertaald in de verleden tijd. Hierachter schuilt een cirkelredenering: de psalm wordt gelezen als een dankpsalm vanwege de veronderstelde verleden tijd van de werkwoordsvormen, en omdat men Jona 2 opvat als een dankpsalm vertaalt men de persoonsvormen in de verleden tijd.
In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt er echter van uitgegaan dat de psalm geen latere toevoeging is maar dat de psalm betekenis verleent aan de context en de context aan de psalm. Een vertaling van de psalm in de tegenwoordige tijd brengt de psalm automatisch dichter bij de context. Het lied moet dan worden gelezen als een smeekgebed. (Zie ook De psalm in Jona [Jona].)
[Jona 2:4] ‘slingerde’
In dit vers wordt in het Hebreeuws een ander werkwoord gebruikt dan in Jona 1:4, 1:5, 1:12 en 1:15. In Jona 1 wordt een werkwoord gebruikt dat vaak duidt op een doelgericht mikken, terwijl hier in Jona 2 meer het aspect ‘weggooien’ of ‘van zich af werpen’ bedoeld wordt. In die lijn ligt dan ook de vertaling met ‘slingeren’ zoals de Nieuwe Bijbelvertaling die geeft.
[Jona 2:4] ‘kolkend water’
Het Hebreeuws heeft letterlijk: ‘en de rivier omringt mij’. De Statenvertaling, de NBG-vertaling 1951 en de Willibrordvertaling hebben dit weergegeven met ‘waterstroom’ of ‘stromen’. Op sommige plaatsen in het Oude Testament, zoals bijvoorbeeld Psalm 24:2 en 93:3, lijkt het ook te gaan om stromen onder de aarde. In dit gedicht in Jona lijkt het een haast gepersonifieerde watermassa te zijn, die de dichter in vijandelijke zin omringt.
De ‘rivier’ is in de Kanaänitische mythologie ook wel gelijk aan ‘(de god) Zee’. Wanneer iemand zich bevindt in of omgeven wordt door de wateren die hier bedoeld worden, dan duidt dat op een noodsituatie. ‘Kolkend water’ geeft dit duidelijk weer, zonder concreet aan te geven om welk water het nu precies gaat. Met het binnenrijm ‘kolkend – golven’ wordt bovendien recht gedaan aan het poëtische karakter van de psalm.
[Jona 2:4] ‘zwaar’
Letterlijk heeft het Hebreeuws: ‘al uw brekers en uw golven gaan over mij heen’. Dit is een uitdrukking van de kracht, het geweld van de golven. De Hebreeuwse term voor ‘brekers’ komt ook voor in Psalm 88:8 en Jona 93:4. Ook is hij te vinden in 2 Samuel 22:5.
Dit deel van Jona 2:4 is letterlijk terug te vinden in Psalm 42:8. In Psalm 42 gaat het echter om beeldspraak, in Jona 2 om concrete werkelijkheid.
[Jona 2:5] ‘Maar eens’
In de NBG-vertaling 1951, de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel wordt het zien van de heilige tempel opgevat als een vraag, terwijl dit in de Nieuwe Bijbelvertaling net zoals in de Statenvertaling wordt opgevat als een zekerheid. Het verschil heeft te maken met de vertaling van het Hebreeuwse partikel ’ach. Dit woordje accentueert de tegenstelling van wat de dichter in het verleden dacht en wat in het heden werkelijkheid is geworden. In andere teksten in het Oude Testament wordt de ommekeer die door redding is teweeggebracht vaak ingeleid door de woorden ’ani ’amarti (‘ik zeg/denk’) in combinatie met ’acheen (‘maar toch’). Hier heeft ’ach, net zoals in Jesaja 14:13-15 en Jeremia 5:4-5 dezelfde betekenis als het elders gebruikte ’acheen. (Vergelijk ook Jeremia 3:19; Sefanja 3:7; Psalm 82:6-7).
[Jona 2:6] ‘lippen’
De uitdrukking die het Hebreeuws hier gebruikt zou vertaald kunnen worden met ‘tot aan de keel’ of ‘tot aan het leven’. Het is een uitdrukking van bedreiging. De Statenvertaling vertaalt met ‘tot de ziel toe’ en de NBG-vertaling 1951 heeft ‘zij bedreigden mijn leven’. In het Nederlands is de uitdrukking ‘het water komt hem tot aan de lippen’ een manier om te zeggen dat de nood hem hoog gestegen is. Deze Nederlandse uitdrukking geeft op een beeldende manier weer wat de Hebreeuwse zegswijze – die eveneens beeldend is – betekent.
[Jona 2:6] ‘verstikt’
De Statenvertaling, de NBG-vertaling 1951, de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel geven allemaal een vertaling waarin het zeewier als een soort tulband om het hoofd van Jona is gebonden. Jona 2:6 heeft in het Hebreeuws echter ook een klank van bedreiging. Dit komt in de Nieuwe Bijbelvertaling tot uitdrukking in het werkwoord ‘verstikken’. Hiermee wordt tegelijkertijd ook voorkomen dat het zeewier dat om Jona’s hoofd gewonden is, de lachlust opwekt. Bovendien levert ‘verstikt’ na ‘stijgt’ en ‘storten’ een poëtische klankherhaling op.
[Jona 2:7] ‘rijk’
De Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951 hebben het Hebreeuwse ha-’arets hier vertaald met ‘de aarde’. Maar net zoals op andere plaatsen in het Oude Testament (vergelijk bijvoorbeeld Jesaja 14:9, Psalm 71:20 en 148:7) betekent dit hier niet ‘de aarde’, maar ‘het dodenrijk’. In dit vers wordt in beeldspraak gesproken over een rijk van waaruit terugkeer niet mogelijk is, omdat er vergrendelde deuren zijn waarachter een dode eeuwig moet blijven.
[Jona 2:7] ‘dood’
De brontekst heeft het woordje sjachat dat vertaald kan worden met ‘valkuil’, ‘graf’ of ‘dood’. In de beeldspraak van dit vers past de vertaling met ‘dood’ het beste. Jona is reeds in de macht van de dood, maar de HEER redt hem daaruit.
[Jona 2:8] ‘levensadem’
Het Hebreeuwse nèfèsj heeft een groot betekenisveld. Het kan onder andere vertaald worden met ‘ziel’ (zie de Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951) of ‘leven’, maar het kan ook de functie overnemen van een persoonlijk voornaamwoord (zie Groot Nieuws Bijbel). In de Nieuwe Bijbelvertaling is in Jona 2:8 gekozen voor ‘levensadem’, omdat dat woord past bij de beeldspraak van sterven en gered worden uit de dood.
[Jona 2:8] ‘roep ik u aan’
Het Hebreeuwse werkwoord zachar betekent ‘denken aan’, ‘zich herinneren’, maar ook ‘iemands naam in het gebed noemen’. Deze laatste betekenis is aan de orde in de situatie die hier beschreven wordt: Jona richt zich in gebed tot de HEER.
[Jona 2:9] ‘verlaten u, trouwe God’
Er is verschil van mening over de vraag op wie chasdam, ‘hun trouw’, hier van toepassing is. Het kan ‘menselijke trouw’ betekenen: ze zeggen hun trouw op (aan de HEER of aan de afgoden). Maar wanneer deze tekst vergeleken wordt met Psalm 144:2 en 59:18 is het beter de trouw op te vatten als een typering (pars pro toto) van heel Gods wezen, en zo als een aanduiding van God zelf.
[Jona 3:2] ‘die ik je zeg’
Het slot van dit vers bevat een participium waarbij het moeilijk te bepalen valt of het als een voltooide, tegenwoordige of toekomstige tijd vertaald moet worden. De NBG-vertaling 1951 kiest voor een toekomstige tijd: ‘die Ik tot u spreken zal’, de Willibrordvertaling voor een voltooide tijd: ‘wat Ik u te zeggen heb gegeven’. De Nieuwe Bijbelvertaling kiest er, net zoals de Statenvertaling en de Groot Nieuws Bijbel, voor te vertalen met een tegenwoordige tijd: ‘de woorden die ik je zeg’. Vergelijking met soortgelijke teksten op andere plaatsen in het Oude Testament (Exodus 6:29, Numeri 22:20, 22:35, 1 Koningen 22:14 en Jeremia 19:2) leert dat de profeet de boodschap moet overbrengen die hij van God krijgt. Het accent ligt daarin niet op het tijdsaspect, maar op de overeenstemming tussen het woord van God en de boodschap van de profeet. De vertalingen met ‘die ik je heb gezegd’ of met ‘die ik je zal zeggen’, leggen beide de nadruk op een ontbrekende schakel in het verhaal. Er wordt immers nergens precies verteld met welke woorden Jona Nineve aan moet klagen. Een vertaling in de tegenwoordige tijd is daarom door zijn ongemarkeerdheid het meest neutraal.
[Jona 3:3] ‘hem opgedragen’
Letterlijk heeft het Hebreeuws: ‘naar het woord van de HEER’. Dit wordt in de Nieuwe Bijbelvertaling weergegeven met ‘zoals de HEER hem opgedragen had’. Deze zin vormt een tegenstelling met Jona 1:3, waar staat dat Jona vluchtte, ‘weg van de HEER’.
[Jona 3:3] ‘reusachtige’
Voor de superlatief waarmee de omvang van Nineve wordt geschetst gebruikt het Hebreeuws op deze plaats het woord ’elohim, dat over het algemeen vertaald wordt met ‘God’ of ‘goden’. (Dit is nog herkenbaar in de Statenvertaling: ‘grote stad Gods’.) Genesis 23:6 en Psalm 68:16 zijn voorbeelden van teksten waarin de superlatief op dezelfde wijze wordt gevormd. Met de superlatief wordt aangegeven dat Nineve een geweldig grote stad is. Zie ook het slot van de aantekening bij ‘maar Gods geest zweefde over het water’ in Genesis 1:2.
[Jona 3:3] ‘ter grootte van’
Letterlijk heeft het Hebreeuws: ‘een gang van drie dagen’. Het probleem is echter dat het Hebreeuws verder niet duidelijk maakt wat er precies gemeten wordt: de omtrek van de stad, of de doorsnee? In ieder geval sluit het aan bij de voorafgaande superlatief en staat het in contrast met de inspanning die Jona in het vervolg aan de dag legt om de boodschap van God te verkondigen.
[Jona 3:4] ‘riep’
In heel Jona wordt vaak het werkwoord qara, ‘roepen’ gebruikt. Het is afhankelijk van de context welke betekenisnuance wordt bedoeld. In Jona 1:2 en 3:2 heeft het iets te maken met prediking, terwijl het in 2:3 meer gaat over het uitschreeuwen van nood en in 3:8 om het aanroepen van God. In Jona 3:4 pleit de context voor de vertaling ‘roepen’, omdat daar verteld wordt dat Jona zijn boodschap in Nineve brengt. Hij roept uit wat God hem geboden heeft. In de Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951 wordt hier het werkwoord ‘prediken’ gebruikt. Deze term veronderstelt echter betrokkenheid van Jona, terwijl uit zijn hele houding blijkt dat hij slechts de boodschap wil achterlaten, zonder persoonlijke verbondenheid met of zelfs een oproep tot omkeer aan de inwoners van Nineve.
[Jona 3:5] ‘inwoners’
Het Hebreeuwse woord ’anasjim, ‘mannen’, is hier een aanduiding van alle inwoners van Nineve. Het woord is in de Nieuwe Bijbelvertaling inclusief vertaald.
[Jona 3:5] ‘van hoog tot laag’
Het woordje ‘groot’ komt in Jona ongeveer 15x voor. Ook op deze plaats is in het Hebreeuws dit woord gebruikt: ‘van hun grootste tot hun kleinste’. Deze uitdrukking verwijst naar de gehele bevolking van Nineve, van jong tot oud, van groot tot klein, van vooraanstaand tot onbelangrijk. In verband met Jona 3:7 is in dit vers gekozen voor het weergeven van sociale categorieën (hooggeplaatsten en geringsten).
[Jona 3:5] ‘boetekleed’
[Jona 3:6] ‘op de grond zitten’
Van de Ninevieten wordt in Jona 3:5 verteld dat zij zich hullen in ‘zakken’. Waarschijnlijk gaat het hier om donkere ‘kleding’, mogelijk van geitenhaar. In ieder geval is de handeling een teken van rouw of boetedoening. In de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) is de Hebreeuwse term vertaald met ‘rouwkleed’ of ‘boetekleed’, zie ook Ester 4:3 en Klaagliederen 2:10. De Statenvertaling (SV) vertaalt de term met ‘zak’, wat mede geleid heeft tot de uitdrukking ‘in zak en as zitten’, die echter in het huidige Nederlands niet meer ‘boete doen’ of ‘rouwen’ betekent, maar ‘diep in de put zitten’.
In Jona 3:6 wordt de boetedoening verder aangescherpt als de koning op de grond gaat zitten. De SV en NBG-vertaling 1951 hebben vertaald met ‘zich neerzetten in de as’, terwijl de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel hebben gekozen voor ‘in het stof zitten’. In de NBV is ervoor gekozen met ‘grond’ de contrasten in dit vers duidelijk uit te laten komen: de koning verwisselt zijn staatsiegewaad voor een boetekleed en verruilt zijn troon voor de grond.
[Jona 3:6] ‘profetie’
Het Hebreeuwse davar, ‘woord’, slaat in deze context op de boodschap die Jona aan de inwoners van Nineve heeft overgebracht: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve weggevaagd!’
[Jona 3:7] ‘omroepen’
Het ligt voor de hand de directe rede te laten beginnen na lemor, ‘zeggende’, zoals in de Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951 ook gebeurt: ‘Men riep uit en zeide in Nineve op bevel van de koning en zijn groten: [...]’. Dit vereist echter in het Nederlands de introductie van nieuwe participanten aan het begin van Jona 3:7 (‘men’, ‘de omroepers’). De leesbaarheid vraagt om voortzetting van het subject van Jona 3:6; daarom is in de Nieuwe Bijbelvertaling ‘volgens het bevel van de koning en zijn edelen’ onderdeel van het decreet.
[Jona 3:7] ‘edelen’
Opnieuw gebruikt het Hebreeuws het woordje ‘groot’, nu echter in de betekenis van koninklijke adviseurs en ministers (vergelijk ook Spreuken 25:6 en Daniël 6:18).
[Jona 3:7] ‘schaap of geit’
Letterlijk heeft het Hebreeuws: ‘de mens en het vee, het rundvee en het kleinvee’. Onder de categorie ‘kleinvee’ vallen schapen en geiten. Ook elders in de Nieuwe Bijbelvertaling is vaak gekozen voor een weergave met ‘schapen en geiten’ (zie bijvoorbeeld Genesis 32:6, Numeri 31:43, Prediker 2:7, Hosea 5:6), of voor het algemenere ‘kudde’ (zie bijvoorbeeld Genesis 4:4 of 1 Samuel 25:16).
[Jona 3:8, 3:10] ‘anders’
[Jona 3:9] ‘verandert’
Verschillende keren kort achter elkaar komt hier het werkwoord sjoev, ‘omkeren’, voor. Vanuit de thematiek van het verhaal is dit te beschouwen als sleutelwoord. Een echt concordante weergave is echter moeilijk door de verschillende toepassing van het woord. In Jona 3:8 en 3:10 zijn de inwoners van Nineve het subject, in 3:9 daarentegen God. Het neutrale woord ‘veranderen/anders’ geeft veel mogelijkheden en is makkelijk toepasbaar in verschillende contexten. Het verband tussen Jona 3:8 en 3:10 komt tot uitdrukking in de woordkeuze ‘anders gaan leven’, het verband met 3:9 blijkt uit ‘veranderen van gedachten’. In Jona 3:8 is de keuze voor een andere manier van leven uitdrukkelijk verbonden met het breken met het onrecht dat men doet.
[Jona 3:9] ‘Misschien’
De Statenvertaling, NBG-vertaling 1951 en de Willibrordvertaling beginnen dit vers met de woorden ‘wie weet’, een letterlijke vertaling van het Hebreeuws. De eerste vier woorden van dit vers zijn precies zo terug te vinden in Joël 2:14a. De terminologie is eigen aan de taal van het vasten- en boeteritueel. Deze woorden hebben dezelfde functie als het ‘misschien’ uit Jona 1:6 (vergelijk ook 2 Samuel 12:22 en Ester 4:14). Zij geven aan dat het Gods soevereine beslissing is of hij genadig wil reageren op de boetedoening van mensen.
[Jona 3:9] ‘woede’
[Jona 4:1, 4:4, 4:9] ‘kwaad’
Het Hebreeuws gebruikt hier het werkwoord chara, ‘(ont)branden’, dat samen met het woord ra‘a, ‘kwaad’, een motief vormt binnen Jona. Hier wordt chara concordant weergegeven met de semantisch verwante begrippen ‘woede’ en ‘kwaad’.
[Jona 4:1] ‘wekte grote ergernis’
De Statenvertaling, NBG-vertaling 1951, Willibrordvertaling, Groot Nieuws Bijbel en de Nieuwe Bijbelvertaling kiezen allemaal voor een andere weergave van Jona 4:1a. De bedoeling is echter overal dezelfde. Het vers sluit in woordgebruik en inhoudelijk nauw aan bij Jona 3:10. Letterlijk heeft de brontekst: ‘En het was kwaad voor Jona met een groot kwaad’. Het woord ra‘a ‘kwaad’, komt in Jona zo vaak voor dat het gezien kan worden als sleutelwoord in het verhaal. De verteller maakt tegelijkertijd echter ook gebruik van de meerduidigheid van het woord. De context bepaalt daarom het betekenisaspect van het woord. In dit vers wordt Jona’s ergernis over het besluit van God geschilderd. De Hebreeuwse zegswijze geeft een intensivering van die emotie aan, zodat de vertaling uiteindelijk wordt: ‘dit wekte grote ergernis’.
[Jona 4:2] ‘en tot vergeving bereid’
Letterlijk staat hier: ‘en spijt hebbende over het kwaad’. Bij dit vers is het van belang te zien dat het hier om een credo gaat. Het ritme en de kracht van het credo moeten daarom in de vertaling intact blijven (zie ook Joël 2:13).
[Jona 4:4,9] ‘terecht’
Het bijwoordelijk gebruikte heeteev (van het werkwoord jatav, ‘goed zijn’) kan op twee manieren worden vertaald. Enerzijds met ‘terdege’. De betekenis is dan dat iemand iets ‘goed’ of ‘grondig’ doet. Anderzijds met ‘terecht’. De betekenis is dan dat het ‘juist’ is wat iemand doet. Dat laatste is in deze context van toepassing.
[Jona 4:6] ‘wonderboom’
De qiqajon is te determineren als de ricinusplant, een plant die razendsnel groeit. Toch is het de vraag of het in de tekst belangrijk is de exacte plantkundige naam aan te geven. Het gaat niet zozeer om de precieze plant, maar om de functie ervan in het verhaal: wonderlijk snel komt hij op en wonderlijk snel is hij weer verdwenen. Dat aspect wordt verwoord in de Nederlandse benaming van de plant: wonderboom. Dat het niet om een boom, maar om een plant gaat blijft zichtbaar in de verwijzingen met ‘de plant’ in Jona 4:6, 4:7, 4:9 en 4:10.
[Jona 4:9] ‘verschrikkelijk’
Jona zegt hier letterlijk: ‘Ik ben goed boos tot de dood’. Hij antwoordt hier op de vraag die God hem in Jona 4:46 en 4:9 heeft gesteld. Deze manier van zeggen brengt de intensiteit van zijn gevoel van ontstemming tot uitdrukking. Ditzelfde gebeurt bijvoorbeeld ook bij Simson wanneer Delila voortdurend dezelfde vraag aan hem stelt (Rechters 16:16). De Hebreeuwse versterking ‘tot de dood’ is in het Nederlands met het versterkende bijwoord ‘verschrikkelijk’ weergegeven.
[Jona 4:11] ‘dieren’
In Jona 4:11 en in Jona 3 worden met de combinatie ’adam oeveheema, ‘mensen en vee’, alle schepselen aangeduid. In het Nederlands is ‘vee’ dan te specifiek, daarom is vertaald ‘mens(en)’ en ‘dier(en)’.