Bronnentheorie [Gen. 1-3]
Wie de eerste vijf bijbelboeken (ook wel tora of Pentateuch genoemd) leest, merkt op verschillende plaatsten tegenstrijdigheden op. Zo zijn er bijvoorbeeld in Genesis 1-3 twee verschillende scheppingsverhalen te herkennen. Het eerste is te lezen in Genesis 1:1-2:4a, het tweede in 2:4b-25. De stijl van het eerste is gedragen, die van het tweede niet. Het beeld dat van God geschetst wordt, verschilt in de twee verhalen, en in beide verhalen worden verschillende godsnamen gebruikt (Genesis 1:1-2:4a [‘God’]; 2:4b-3:24 [‘God, de HEER’]). In het eerste scheppingsverhaal wordt de mens geschapen als Gods evenbeeld, mannelijk en vrouwelijk. In het tweede scheppingsverhaal wordt de mens gevormd uit het stof van de aardbodem en de vrouw gemaakt uit de rib van de eerste mens.
In de oudtestamentische wetenschap heeft dit vanaf de achttiende eeuw geleid tot vele theorieën over de ‘documenten’ waaruit de Pentateuch is opgebouwd. De theorieën ontwikkelden zich langzamerhand tot een hypothese waarin gesteld werd dat de Pentateuch is opgebouwd uit een aantal verschillende bronnen. Consensus over de bronnentheorie bestaat echter niet, behalve dat meestal wel wordt aangenomen dat de twee scheppingsverhalen uit twee verschillende bronnen afkomstig zijn. Voor het vertalen zijn deze theorieën van minder belang. Het uitgangspunt voor de vertaling van de bijbel ligt in de tekst zoals die nu voor ons ligt. De tekst van het bijbelboek Genesis kan namelijk ook als één geheel worden beschouwd. De verschillende delen van het boek vertonen een samenhang, die tot uitdrukking komt in een overkoepelend thema, terugkerende motieven en een steeds herkenbare structuur. Maar ook de verschillen tussen de verhalen die bijvoorbeeld zichtbaar worden in de stijlverschillen, maken onderdeel uit van de tekst en dienen daarom herkenbaar te blijven in de vertaling.