Ruth


[Ruth 1:1-4:22]
[1] 1In de tijd dat de rechters het volk leidden, brak er een hongersnood uit in het land. Een man trok daarom met zijn vrouw en zijn twee zonen weg uit Betlehem» in Juda, om een tijdlang» in de vlakte van Moab» te gaan wonen». 2De naam van de man was Elimelech, die van zijn vrouw Noömi, en zijn twee zonen heetten Machlon en Kiljon; het waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Toen ze in Moab» waren aangekomen, bleven ze daar als vreemdeling wonen». 3Na enige tijd stierf Elimelech, de man van Noömi, en zij bleef achter met haar twee zonen. 4Zij trouwden allebei met een Moabitische vrouw. De naam van de ene was Orpa, die van de andere was Ruth. Nadat ze daar ongeveer tien jaar gewoond hadden, 5stierven ook Machlon en Kiljon, en de vrouw bleef alleen achter, zonder haar twee zonen en zonder haar man.
6Toen Noömi hoorde», daar in Moab», dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had, maakte ze zich samen met haar twee schoondochters gereed om Moab» te verlaten en terug te keren». 7Samen met hen verliet ze de plaats waar ze gewoond had. Maar toen ze eenmaal op de terugweg» waren naar Juda, 8zei Noömi: ‘Gaan jullie nu maar allebei terug» naar het huis van je moeder. Moge de HEER zo goed voor jullie zijn als jullie voor mij en mijn gestorven zonen zijn geweest. 9Moge hij ervoor zorgen dat jullie allebei geborgenheid vinden in het huis van een man,’ en ze kuste hen. Toen barstten zij in tranen uit» 10en zeiden: ‘Maar we willen met u terugkeren» naar uw volk!’ 11‘Ga terug», mijn dochters,’ zei Noömi, ‘waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? 12Ga toch terug», want ik ben te oud voor een man. Zelfs al zou ik nog hoop koesteren, zelfs al sliep ik vannacht nog met een man en al bracht ik nog zonen ter wereld – 13zouden jullie dan wachten tot ze groot zijn en je ervan laten weerhouden met een andere man te trouwen? Nee, mijn dochters, mijn lot is te bitter voor jullie»; de HEER heeft zich tegen mij gekeerd.’ 14Opnieuw begonnen zij te huilen». Orpa kuste haar schoonmoeder vaarwel, maar Ruth week niet van haar zijde». 15‘Kijk, je schoonzuster gaat terug» naar haar volk en haar god»,’ zei Noömi, ‘ga haar toch achterna!’ 16Maar Ruth antwoordde: ‘Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug» te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. 17Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEER is mijn getuige»: alleen de dood zal mij van u scheiden!’ 18Noömi zag dat Ruth vastbesloten was om met haar mee te gaan en drong niet langer aan. 19Zo gingen zij samen verder, tot in Betlehem.
Hun aankomst» in Betlehem baarde veel opzien. Overal in de stad riepen de vrouwen»: ‘Dat is toch Noömi?’ 20Maar ze zei tegen hen: ‘Noem me niet Noömi,* noem me Mara,* want de Ontzagwekkende» heeft mijn lot zeer bitter gemaakt. 21Toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen. Waarom mij nog Noömi noemen, nu de HEER zich tegen mij heeft gekeerd, nu de Ontzagwekkende me kwaad heeft gedaan?’ 22Zo kwamen ze samen terug» uit Moab», Noömi en haar schoondochter Ruth, de Moabitische. Ze kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gersteoogst.
[2] 1Nu was Noömi van de kant van haar echtgenoot Elimelech verwant aan een belangrijk man», die Boaz heette.
2Ruth, de Moabitische, zei tegen Noömi: ‘Ik zou graag naar het land willen gaan om aren te lezen bij iemand die me dat toestaat.’ Noömi antwoordde: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ 3Ze ging dus naar het land om aren te lezen, achter de maaiers aan. Het toeval wilde dat de akker waar ze kwam van Boaz was, het familielid van Elimelech. 4Na enige tijd kwam Boaz zelf» eraan, uit Betlehem. ‘De HEER zij met jullie,’ groette hij de maaiers. ‘De HEER zegene u,’ groetten zij terug. 5Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: ‘Bij wie hoort die jonge vrouw daar?’ 6De man antwoordde: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Noömi is teruggekeerd». 7Toen ze hier aankwam zei ze: “Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven,” en nu is ze hier al de hele dag», vanaf de vroege ochtend – ze heeft maar even gezeten».’ 8Daarop zei Boaz tegen Ruth: ‘Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. 9Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’ 10Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Waaraan heb ik het te danken dat u zo goed voor mij bent, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben?’ 11En Boaz antwoordde: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. 12Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.’ 13‘Ik dank u, heer,’ zei ze, ‘want u hebt zich mijn lot aangetrokken en mij» moed ingesproken, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.’
14Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: ‘Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn».’ Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over. 15Toen ze weer opstond om te gaan werken, gaf Boaz zijn mannen de volgende opdracht: ‘Laat haar ook tussen de schoven aren lezen, zeg daar niets van. 16Integendeel, jullie moeten juist wat halmen voor haar uit de bundels trekken en die laten liggen, zodat zij ze op kan rapen. Verwijt haar dus niets.’ 17Zij werkte tot de avond op het veld en sloeg de korrels uit de aren die ze geraapt had. Het was ongeveer een efa» gerst. 18Ze pakte het op en ging terug naar de stad.
Toen Noömi» zag hoeveel ze verzameld had, en toen Ruth haar ook nog gaf wat ze van het middagmaal had overgehouden, 19riep ze uit: ‘Waar heb jij vandaag aren gelezen, waar heb je gewerkt? Gezegend de man die zo goed voor jou geweest is!’ Ruth vertelde haar schoonmoeder dat de man bij wie ze die dag gewerkt had Boaz heette. 20Toen zei Noömi tegen haar schoondochter: ‘Moge de HEER hem zegenen, want hij» heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden.’* En ze vervolgde: ‘Hij is een naaste verwant van ons en kan daarom zijn rechten als losser laten gelden.’ 21En Ruth, de Moabitische, zei: ‘Hij heeft ook nog tegen me gezegd dat ik bij zijn maaiers moest blijven totdat zijn hele oogst is binnengehaald.’ 22‘Het is goed dat je optrekt met de vrouwen op zijn land, mijn dochter,’ zei Noömi tegen Ruth, ‘want dan zal niemand je op een ander veld lastig kunnen vallen.’ 23Ze bleef dus aren lezen bij de vrouwen die voor Boaz werkten, tot het einde van de gerste- en de tarweoogst. Al die tijd woonde ze bij haar schoonmoeder.
[3] 1Op een dag zei Noömi, haar schoonmoeder: ‘Mijn dochter, zal ik niet een thuis voor je zoeken waar het je goed zal gaan? 2Boaz, bij wie je gewerkt hebt, is zoals je weet familie van ons. Vanavond zal hij op de dorsvloer gerst wannen. 3Baad je, wrijf je in met olie, kleed je aan en ga naar de dorsvloer. Zorg dat hij je niet ziet voordat hij klaar is met eten en drinken. 4Als hij gaat slapen moet je goed opletten waar hij zich neerlegt, en dan moet je naar hem toe gaan, de deken aan zijn voeteneinde terugslaan» en daar gaan liggen. Hij zal je dan wel vertellen wat je moet doen.’ 5Ruth antwoordde: ‘Ik zal doen wat u mij zegt.’ 6Ze ging naar de dorsvloer en deed precies wat haar schoonmoeder haar had opgedragen.
7Boaz at en dronk, voelde zich voldaan, en legde zich te slapen tegen een hoop gerst. Toen kwam Ruth stilletjes naar hem toe, sloeg de deken aan zijn voeteneinde terug en ging liggen. 8Midden in de nacht schrok hij wakker, draaide zich om en zag een vrouw aan zijn voeteneinde liggen. 9‘Wie is daar?’ vroeg hij. ‘Ik ben het, Ruth»,’ zei ze. ‘Wilt u mij bij u nemen», want u kunt voor ons als losser optreden.’ 10‘Moge de HEER je zegenen, mijn dochter,’ zei hij. ‘Dit getuigt van nog meer trouw dan wat je voorheen al hebt gedaan. Je hebt niet omgekeken naar jongere mannen, arm of rijk. 11Daarom, mijn dochter, wees niet bang. Ik zal doen wat je van me vraagt; iedereen in de stad weet immers dat je een bijzondere vrouw» bent. 12Maar al is het waar dat ik jullie kan helpen, er is nog iemand anders voor wie dat geldt, en hij staat dichter bij jullie dan ik. 13Blijf vannacht hier. Als morgenochtend blijkt dat die man als losser wil optreden is het goed, maar als hij dat niet wil, dan doe ik het, zo waar de HEER leeft. Blijf hier nu maar liggen, tot het ochtend wordt.’ 14En zij bleef tot de ochtend aan zijn voeteneinde liggen.
Voordat het zo licht werd dat men iemand herkennen kon, stond ze op, want hij wilde niet dat bekend werd dat ze op de dorsvloer was geweest. 15Hij zei: ‘Pak je omslagdoek en houd hem open.’ Dat deed ze, en hij goot er zes maten gerst in en hielp haar dit alles op te tillen. Daarna ging hij naar de stad. 16Zij ging naar haar schoonmoeder, die haar vroeg hoe het haar was vergaan. Ruth vertelde haar wat Boaz voor haar gedaan had. 17‘Deze zes maten gerst heeft hij me gegeven, “want,” zei hij, “je moet niet met lege handen bij je schoonmoeder aankomen.”’ 18Daarop zei Noömi: ‘Blijf hier dan maar rustig wachten tot je weet hoe het afloopt, mijn dochter, want ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij de zaak geregeld heeft.’
[4] 1Boaz was intussen naar de poort gegaan en daar gaan zitten. Toen kwam de man voorbij van wie hij gesproken had – zijn naam is niet van belang» – en hij zei: ‘Kom hier even bij me zitten.’ De man deed wat hem gevraagd werd. 2Ook vroeg Boaz tien stadsoudsten plaats te nemen, en ook zij gingen zitten. 3Toen zei hij tegen de man die ook als losser kon optreden: ‘Het stuk land van onze broeder Elimelech wordt door Noömi, die teruggekeerd is uit Moab, verkocht. 4Ik meen dan ook u het volgende te moeten meedelen: U kunt het stuk land kopen ten overstaan van de hier aanwezigen en ten overstaan van de oudsten van het volk. Als u van plan bent uw rechten te doen gelden, dan kunt u dat doen, zo niet dan moet u mij dat laten weten. U bent de eerste die hiervoor in aanmerking komt, en ik kom na u.’ ‘Ik zal mijn rechten doen gelden,’ zei de man. 5Daarop zei Boaz: ‘Wanneer u het stuk land koopt van Noömi, koopt u het ook van Ruth», de weduwe uit Moab, en zal de naam van haar overleden man voortleven op zijn land.’ 6Toen zei de man: ‘Dan kan ik mijn rechten niet doen gelden, want dat zou ten koste gaan van mijn eigen familiebezit. Neemt u het maar van mij over, want ik kan het me niet veroorloven. 7-8Koopt u» het land maar!’ en hij trok zijn sandaal uit. (Als vroeger een dergelijke koop of ruil rechtsgeldig gemaakt moest worden, bestond er in Israël het gebruik dat men zijn sandaal uittrok en die aan de ander gaf. Zo werd een dergelijke zaak in Israël bekrachtigd.) 9Daarop sprak Boaz tot de oudsten en alle anderen die daar waren: ‘U bent er vandaag getuige van dat ik van Noömi het gehele bezit van Elimelech en dat van Kiljon en Machlon koop. 10Daarmee neem ik ook Ruth tot vrouw, de Moabitische, de vrouw van Machlon, om de naam van haar overleden man te laten voortleven op zijn land. Zo zal zijn naam niet verloren gaan bij zijn verwanten en de inwoners van de stad. U bent daar vandaag getuige van.’ 11‘Ja,’ zeiden de oudsten en allen die bij de poort aanwezig waren, ‘daarvan zijn wij getuige. De HEER geve dat de vrouw die in uw huis komt zal zijn als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël groot hebben gemaakt, zodat ook u groot zult zijn in Efrata en uw naam in Betlehem zal voortbestaan. 12Moge uw huis worden als het huis van Peres, de zoon van Tamar en Juda, en wel door de kinderen die de HEER u bij deze jonge vrouw zal geven.’
13Daarna nam Boaz Ruth bij zich, zij werd zijn vrouw, en hij sliep met haar. De HEER liet haar zwanger worden en ze baarde een zoon. 14De vrouwen zeiden tegen Noömi: ‘Geprezen zij de HEER, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan! 15Hij zal je je levensvreugde teruggeven en je onderhouden als je oud bent, want je schoondochter, die je liefheeft en die meer waard is dan zeven zonen, heeft hem gebaard.’ 16Noömi nam de jongen op haar schoot en bleef hem vanaf dat moment verzorgen. 17De buurvrouwen gaven hem zijn naam. ‘Noömi heeft een zoon gekregen,’ zeiden ze, en ze noemden hem Obed. Hij is de vader van Isaï, die de vader is van David.


18Dit zijn de nakomelingen van Peres: Peres verwekte Chesron, 19Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, 20Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon», 21Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, 22Obed verwekte Isaï, en Isaï verwekte David.

Noten
(1:20) Noömi – Noömi kan worden vertaald als ‘de gelukkige’.
(1:20) Mara – Mara kan worden vertaald als ‘de bittere’.
(2:20) Moge de HEER hem zegenen, want hij heeft trouw bewezen aan de levenden en aan de doden – Ook mogelijk is de vertaling: ‘Moge de HEER, die trouw heeft bewezen aan de levenden en aan de doden, hem zegenen’.
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Ruth 1:1] ‘weg uit Betlehem’
De bepaling ‘uit Betlehem’ kan ook bij ‘een man’ gelezen worden, zoals de Groot Nieuws Bijbel en de NBG-vertaling 1951 doen. In de Nieuwe Bijbelvertaling is het, net als in de Willibrordvertaling, opgevat als een bepaling bij ‘weggaan’. Zo staat in Ruth 1:1 de beweging centraal en in 1:2 de nadere bepaling van ‘de man’ en zijn afkomst.
[Ruth 1:1] ‘een tijdlang [...] gaan wonen’
In het Hebreeuws wordt hier een technische term gebruikt die letterlijk te vertalen is met ‘als vreemdeling verblijven’. In de vertaling is de term over twee formuleringen verdeeld: het ‘verblijven’ is verwerkt in Ruth 1:1 als ‘een tijdlang gaan wonen’, het element ‘als vreemdeling’ is in 1:2 weergegeven. Hetzelfde werkwoord is in Genesis 12:10 en 26:3 in de Nieuwe Bijbelvertaling vergelijkbaar vertaald, met ‘tijdelijk gaan wonen’ en ‘voorlopig blijven’.
[Ruth 1:1] ‘de vlakte van Moab’
Letterlijk vertaald staat hier ‘het veld van Moab’. Het woord ‘veld(en)’ komt vaak voor in Ruth. Omdat een concordante vertaling met ‘veld(en)’ tot een gewrongen Nederlandse tekst zou leiden, is in de Nieuwe Bijbelvertaling voor de concrete velden de vertaling ‘land’ (Ruth 2:2, 2:3; 4:3, 4:5) ‘akker’ (2:8) of ‘veld’ (2:9, 2:17, 2:22) gekozen. ‘Het veld van Moab’ is in plaatsbepalingen meestal alleen als ‘Moab’ vertaald (Ruth 1:2, 1:6, 1:22; 2:6; 4:3). Hier in Ruth 1:1 is gekozen voor de weergave ‘vlakte van Moab’, waardoor de plaatsbepaling concreter en aantrekkelijker wordt.
[Ruth 1:2] ‘bleven ze daar als vreemdeling wonen’
[Ruth 1:6] ‘Toen Noömi hoorde’
In de Nieuwe Bijbelvertaling is gekozen voor de chronologische volgorde: Noömi hoort eerst goede berichten over Betlehem en maakt vervolgens het plan tot terugkeer. Deze volgorde past beter bij het narratieve karakter van de tekst dan een vertaling als in de Willibrordvertaling en de NBG-vertaling 1951, waarin eerst het vertrek en dan de reden daarvoor genoemd wordt.
[Ruth 1:6] ‘terug te keren’
[Ruth 1:7] ‘terugweg’
[Ruth 1:8, 1:11, 1:12, 1:15, 1:16, 1:22] ‘terug’
[Ruth 1:10] ‘terugkeren’
Met een herhaald ‘terugkeren’ wordt het motief van de terugkeer naar Betlehem vormgegeven. Het klinkt in Ruth 1:6, 1:7, 1:8, 1:10, 1:11, 1:12, 1:15, 1:16 en 1:22. In de eerste drie gevallen gaat het over Ruth en Orpa, die samen met Noömi terugkeren. Waar het gebruikt wordt voor Orpa en Ruth is het niet meest voor de hand liggende werkwoord, omdat Ruth en Orpa nog nooit in Betlehem geweest zijn. Toch is ook in de Nieuwe Bijbelvertaling steeds een vorm van ‘terug’ (terugkeren, teruggaan, terugkomen, op de terugweg) gebruikt. Vgl. ook nog ‘teruggegeven’ in Ruth 4:15.
[Ruth 1:9] ‘barstten zij in tranen uit’
[Ruth 1:14] ‘huilen’
In Ruth 1:9 is in de Nieuwe Bijbelvertaling de keuze tussen het in Nederland gangbaarder ‘huilen’ en het in Vlaanderen gangbaarder ‘wenen’ vermeden. Omdat de formulering ‘opnieuw barstten zij in tranen uit’ in Ruth 1:14 te opvallend zou zijn, is daar de Nederlandse variant gekozen: opnieuw begonnen zij te huilen.
[Ruth 1:13] ‘mijn lot is te bitter voor jullie’
Hier zijn verschillende vertalingen mogelijk:
1) het is mij veel bitterder dan jullie, 2) het is mij veel te bitter voor jullie, 3) het is mij zeer bitter omwille van jullie. De NBG-vertaling 1951 en de Groot Nieuws Bijbel kiezen voor de eerste interpretatie (het is voor mij veel verdrietiger dan voor u). De Nieuwe Bijbelvertaling kiest, net als de Willibrordvertaling, voor de tweede mogelijkheid, die het beste aansluit op het voorafgaande ‘nee’: Noömi geeft met deze zin een extra reden om niet met haar mee te gaan. Het is de climax van het betoog waarmee ze haar schoondochters wil overreden.
[Ruth 1:14] ‘week niet van haar zijde’
Het Hebreeuwse woord betekent ‘zich hechten aan’. De NBG-vertaling 1951 en de Willibrordvertaling hebben hier de vertaling ‘Ruth klemde zich aan haar vast’. Die woordkeus is te beperkt, omdat het teveel alleen een fysieke betekenis heeft.
[Ruth 1:15] ‘haar god’
In de Nieuwe Bijbelvertaling is ‘god’ met een hoofdletter geschreven als het verwijst naar de God van Israël; in andere gevallen is een kleine letter gebruikt.
[Ruth 1:16] ‘Maar Ruth’ [...]
In het Hebreeuws is dit een poëtisch vers. Het bestaat uit een parallellisme (twee evenwijdig lopende zinnen) en het heeft metrum en klankherhaling. In de Nieuwe Bijbelvertaling is het als proza vertaald, om de verbinding met het verhaal vast te houden. Wel bevat het vers ook in de vertaling enkele poëtische kenmerken, namelijk een parallellisme en herhaling van de a-klank.
[Ruth 1:17] ‘De HEER is mijn getuige’
De Hebreeuwse formulering ‘zo moge de HEER aan mij doen en zo moge hij toevoegen’ is een eedformule die in NBG-vertaling 1951 en de Willibrordvertaling vrij letterlijk vertaald wordt: ‘zo moge de HERE mij doen, ja nog erger’ en ‘De HEER moge mij dit aandoen en nog erger’. In deze vertalingen is het ‘zo’ of ‘dit’ erg onduidelijk door het ontbreken van een gebaar dat de spreker hierbij waarschijnlijk maakte. In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt ofwel vertaald zoals hier in Ruth, of ‘de HEER mag met mij doen wat hij wil’.
[Ruth 1:19] ‘Hun aankomst’ [...]
Hier begint, anders dan in andere Nederlandse vertalingen, middenin een vers een nieuwe alinea. In het Nederlands is in een goed verteld verhaal de alinea-indeling belangrijk. In Ruth wordt in principe bij een scènewisseling een nieuwe alinea begonnen. Hier in Ruth 1:19 is er een verandering van plaats (van onderweg naar Betlehem) en van personages (de handeling speelt zich af tussen Noömi en de vrouwen van Betlehem, en Ruth is van het toneel verdwenen).
Ook het ‘en het geschiedde’ dat er bij letterlijk vertalen van het Hebreeuws middenin het vers staat, wijst op een nieuwe aanzet. In de Nieuwe Bijbelvertaling zijn de woorden ‘en het geschiedde’ vaak met een nieuwe alinea ‘vertaald’.
[Ruth 1:19] ‘de vrouwen’
In het Hebreeuws is het onderwerp niet expliciet uitgedrukt, maar uit de vrouwelijke meervoudsvorm van het werkwoord af te leiden. Net als de meeste vertalingen vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling hier ‘de vrouwen’, ook in verband met de vergelijkbare passage in Ruth 4:14, waar ‘de vrouwen’ in het Hebreeuws wel expliciet worden genoemd.
[Ruth 1:20] ‘Ontzagwekkende’
‘El Sjaddai’, een van de benamingen waarmee God in het Oude Testament wordt aangeduid, is in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald als ‘de Ontzagwekkende’.
[Ruth 2:1] ‘belangrijk man’
Het Hebreeuws betekent letterlijk ‘sterk, man van kracht’. Afhankelijk van de context spelen dapperheid, rijkdom, invloed, bekwaamheid ook mee. In Ruth 3:11 wordt hetzelfde woord voor Ruth gebruikt.
[Ruth 2:4] ‘Boaz zelf’
Letterlijk vertaald staat er ‘en zie Boaz kwam’. (We)hinne, ‘(en) zie’ geeft nadruk aan, en duidt soms op een nieuw begin, soms op aandacht voor wat volgt, zoals hier voor een nieuwe figuur in de scène. In de vertaling wordt het hier weergegeven door ‘zelf’. Zie ook de aantekening bij ‘en meteen’ in Matteüs 4:11 en Het woordje idou (‘zie!’) [NT].
[Ruth 2:6] ‘teruggekeerd’
In het Hebreeuws staat er teruggekeerd ‘uit de velden van Moab’. Omdat even daarvoor Ruth wordt aangeduid als ‘de Moabitische vrouw’ en het duidelijk is waar ze vandaan komt, is het element ‘uit de velden van Moab’ in de Nieuwe Bijbelvertaling geïmpliciteerd.
[Ruth 2:7] ‘nu is ze hier al de hele dag’
Het Hebreeuwse werkwoord dat hier wordt gebruikt (‘staan’) laat twee interpretaties toe: 1) op de been zijn, 2) zich wachtend opstellen. Bij 1) gaat men ervan uit dat Ruth al de hele dag aan het aren lezen is achter de maaiers aan. Men vertaalt ‘de hele dag al bezig zijn’ en laat ‘bij de schoven’, in het verzoek van Ruth, vaak weg. Bij 2) gaat men juist uit van het verzoek om ‘bij de schoven’ aren te mogen lezen, wat specifieke toestemming vereist (vgl. Ruth 2:15). Ruth staat te wachten tot ze die toestemming krijgt. De vertaling van de Nieuwe Bijbelvertaling laat beide interpretaties toe.
[Ruth 2:7] ‘ze heeft maar even gezeten’
Het is onduidelijk wat het Hebreeuws hier wil zeggen. Een letterlijke vertaling luidt ‘haar zitten in het huis een weinig’. Dit is op te vatten als een aanwijzing voor het doorzettingsvermogen van Ruth. In de NBG-vertaling 1951 wordt het als een algemene eigenschap van Ruth opgevat (het is iemand die weinig thuis zit), in de Nieuwe Bijbelvertaling, net als in veel andere vertalingen, slaat het op de specifieke situatie van het aren lezen: ‘zij heeft slechts even gezeten’.
[Ruth 2:13] ‘mij’
Ruth spreekt in de brontekst over zichzelf in de derde persoon: ‘en uw dienares moed ingesproken’. Deze beleefde, bescheiden manier van spreken komt veel vaker voor in het Oude Testament. In het Nederlands is dit gebruik van de derde persoon vreemd en soms verwarrend. In de Nieuwe Bijbelvertaling is daarom meestal gewoon een eerste persoon gebruikt. De nederige houding van Ruth is in de context ook zonder de derde persoon duidelijk. Zie ook Stijl en hofstijl [2 Sam. 7].
[Ruth 2:14] ‘wijn’
Sommige vertalingen hebben hier ‘azijn’. Het gaat om met water aangelengde verzuurde wijn of om water dat met wijnazijn fris gehouden werd. In de Nieuwe Bijbelvertaling is soms ‘zure wijn’ vertaald en bij een negatieve context ook wel ‘azijn’; in een positieve context, zoals hier, is voor ‘wijn’ gekozen.
[Ruth 2:16] ‘verwijt haar dus niets’
In Ruth 2:15 geeft Boaz zijn mannen opdracht om Ruth haar gang te laten gaan; ze mogen haar niet ter verantwoording roepen (‘zeg daar niets van’). Het slot van Ruth 2:16 kan worden opgevat als een versterking hiervan. Er wordt een woord gebruikt dat soms ‘schelden’ betekent, maar hier goed als ‘verwijten’ kan worden vertaald. Het verbindingswoordje ‘dus’ geeft het verband met Ruth 2:15 aan.
[Ruth 2:17] ‘efa’
Het woord ‘efa’ duidt een inhoudsmaat aan die in onze tijd en cultuur niet gangbaar is. Bij het vertalen is het de vraag hoe een dergelijke aanduiding weergegeven moet worden. De inhoudsmaat (of in andere gevallen lengtematen of gewichten) zou ook omgerekend kunnen worden naar een moderne rekeneenheid. Het gaat bij een efa om ongeveer 45 liter. Maar in de Nieuwe Bijbelvertaling is ernaar gestreefd de vreemde historische en socioculturele achtergrond van de tekst herkenbaar te houden en in dit opzicht niet te moderniseren.
[Ruth 2:18] ‘Toen Noömi’ [...]
Middenin het vers begint een nieuwe alinea omdat er na Ruth 2:18a een wisseling van tijd, plaats en personages is.
[Ruth 2:20] ‘want hij’
In de zin ‘hij heeft trouw bewezen voor de levenden en de doden’ verwijst ‘hij’ naar Boaz: Noömi prijst Boaz omdat hij goed geweest is voor Noömi en Ruth (de levenden), maar daarmee ook blijk gegeven heeft van zijn verantwoordelijkheid voor de overleden familieleden. Ook in de Willibrordvertaling is voor deze interpretatie gekozen, maar in de NBG-vertaling 1951 en in de Groot Nieuws Bijbel prijst Noömi de trouw van de HEER. Voor de keuze van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) zijn twee argumenten te geven.
De zin is grammaticaal vergelijkbaar met 2 Samuel 2:5, waar de NBV heeft: ‘Wees gezegend door de HEER, omdat u trouw hebt bewezen aan uw heer Saul’. In deze zin kan de reden voor de zegenbede alleen maar betrekking hebben op degene aan wie de zegen toegewenst wordt.
Ook in het geheel van het verhaal past het dat Noömi hier de trouw van Boaz prijst. Van Ruth 2:1 tot 4:12 gaat het steeds over de plannen die Noömi, Ruth en Boaz maken. Daaromheen is het motief van klacht (Ruth 1:20-21) en lof (4:14) aan het adres van de HEER geplaatst. Lofprijzing van de HEER in Ruth 2:20 zou veel minder goed in deze opbouw passen.
[Ruth 3:4] ‘de deken aan zijn voeteneinde terugslaan’
Letterlijk vertaald staat hier ‘zijn voeteneinde ontbloten’. Wat het precies betekent is niet duidelijk. Omdat in het Hebreeuws ‘voeten’ een bekend eufemisme voor de mannelijke geslachtsdelen is, en hier het woord ‘ontbloten’ gebruikt wordt, denken sommige uitleggers dat het verhaal van Ruth op de dorsvloer een seksuele lading heeft. De hele sfeer in de vertaling van Ruth 3:2-14 is zo dat er eventueel een seksuele dubbelzinnigheid gelezen kan worden, zonder dat dit expliciet gezegd wordt. Precies hetzelfde geldt voor de brontekst.
Zie ook het artikel van Janet Dyk, ‘De dorsvloerscène in Ruth 3 suggestieve lezingen en interculturele overwegingen,’ in: R. Buitenwerf en anderen, Ambacht en Wetenschap, Heerenveen 2006, 107-118.
[Ruth 3:9] ‘Ik ben het, Ruth’
In de brontekst duidt Ruth zichzelf aan in de derde persoon als ‘uw dienares’. Zie de aantekening bij ‘mij’ in Ruth 2:13.
[Ruth 3:9] ‘Wilt u mij bij u nemen’
Hier wordt eenzelfde formulering (‘spreid uw vleugel over mij’) gebruikt als in Ruth 2:12, waar het gaat om bescherming zoeken. De formulering komt elders ook voor in de context van het huwelijk (Deuteronomium 23:1; 27:20 en Ezechiël 16:18). Omdat het beeld met de vleugels hier als concrete vraag aan Boaz vreemd zou zijn, is de betekenis van het beeld vertaald op een manier die zowel kan verwijzen naar bescherming zoeken als naar een huwelijk sluiten.
[Ruth 3:11] ‘een bijzondere vrouw’
In de brontekst wordt dezelfde formulering gebruikt als in Ruth 2:1, ‘een vrouw van kracht’. Het was niet mogelijk op beide plaatsen dezelfde vertaling te kiezen zonder in vreemd Nederlands te vervallen. Ook andere vertalingen is dat niet gelukt: in de Willibrordvertaling is Boaz vermogend en Ruth bekwaam, in de Groot Nieuws Bijbel is Boaz invloedrijk en Ruth geweldig, in de NBG-vertaling 1951 is Boaz zeer vermogend en Ruth deugdzaam. De Naardense Bijbel noemt Boaz ‘een kerel van vermogen’ en Ruth ‘een vrouw van vermogen’; in de vertaling van de Societas Hebraica Amstelodamensis is Boaz ‘bijzonder kloek’ en Ruth ‘een kloeke vrouw’. Deze pogingen tot concordantie zijn echter ook niet geslaagd. De eerstgenoemde is zonder meer vreemd Nederlands. De tweede valt terug op een term (‘kloek’) die niet alleen ouderwets is, maar ook vaag.
[Ruth 4:1] ‘zijn naam is niet van belang’
In de brontekst wordt de voorbijganger aangeduid als ‘die en die’. In 1 Samuel 21:3 en 2 Koningen 6:8 is dat de aanduiding van een plaats: een afgesproken plek, een bepaalde plaats. Deze aanduiding wordt gebruikt als het onmogelijk of niet wenselijk is de naam zelf aan te geven. In Ruth 4:1 wordt wel vertaald ‘Dinges’, ‘vriend’, maar er is geen aanleiding voor zo’n denigrerende manier van spreken van Boaz. Het feit dat deze persoon niet bij naam genoemd wordt is binnen het boek Ruth veelzeggend. In het verhaal hebben alle personages een naam (Noömi zelfs twee) en de ‘naam’ is in dit hoofdstuk zelfs het belangrijkste trefwoord (zie Ruth 4:5, 4:10, 4:11, 4:14, 4:17). Dat de naam van deze persoon niet van belang, wijst al vooruit naar Ruth 4:6-8: de man ziet af van zijn rechten, hij is voor dit verhaal verder niet van belang.
[Ruth 4:5] ‘koopt u het ook van Ruth’
In veel vertalingen, ook in de NBG-vertaling 1951, de Groot Nieuws Bijbel en de Willibrordvertaling, is Ruth het lijdend voorwerp van ‘kopen’: ‘koopt u ook Ruth’. In de Nieuwe Bijbelvertaling is met ‘koopt u het ook van Ruth’ de brontekst letterlijk gevolgd. Zo richt Boaz de aandacht vooral op het land. Dat Ruth met de koop van het land verbonden is, wordt niet direct benadrukt, evenmin als precies duidelijk wordt op welke manier deze twee verbonden zijn.
[Ruth 4:7-8] ‘Koopt u’ [...]
De volgorde van de verzen is in de Nieuwe Bijbelvertaling omgedraaid: eerst wordt de gebeurtenis verteld, dan volgt de uitleg daarvan. Dit maakt de tekst helderder. De uitleg is tussen ronde haken geplaatst om duidelijk te maken dat het extra informatie is die buiten de gebeurtenissen valt. Ook in de grondtekst is het extra uitleg, die nodig is, omdat het gebruik van het uittrekken van een schoen voor de lezer of hoorder niet meer bekend was.
[Ruth 4:20] ‘Salmon’
De brontekst heeft hier ‘Salma’; in de Nieuwe Bijbelvertaling zijn de namen in kwestie geharmoniseerd, net als in veel (buitenlandse) vertalingen.