Getuigenissen

[Joh. 1:19-51]
19Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden» hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’ 20Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit»: ‘Ik ben niet de messias»*.’ 21Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?’ Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’ ‘Bent u de profeet?’ ‘Nee,’ antwoordde hij. 22‘Maar wie bent u dan?’ vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben – wie zegt u zelf dat u bent?’ 23Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept» in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer,” zoals de profeet Jesaja gezegd heeft».’ 24De afgevaardigden die uit de kring van de farizeeën kwamen, 25vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?’ 26‘Ik doop met water,’ antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent, 27hij die na mij komt – ik ben het niet eens waard om de riemen» van zijn sandalen los te maken.’ 28Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.
29De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is» het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. 30Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer» is dan ik, want hij was er vóór mij.” 31Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’ 32En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten. 33Nog» wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei» tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” 34En dat» heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.’
35De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen. 36Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is» het lam van God.’ 37De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen» met Jezus mee». 38Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat zoeken jullie?’ ‘Rabbi,’ zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert» u?’* 39Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang» en ze bleven die dag bij hem.
40Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. 41Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’»), 42en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus», ‘rots’).
43De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee».’ 44Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus. 45Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’ 46‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken,’ zei Filippus. 47Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is» nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ 48‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ 49‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël. 50Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’ 51Waarachtig, ik verzeker jullie»,’ voegde hij eraan toe, ‘jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.’

Noten
(1:41) de messias – Zie de noot bij Matteüs 2:4.
(1:38b-51) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:39-52.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling

© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Joh. 1:19] ‘De Joden’
Zie Joden [Johannes].
[Joh. 1:20] ‘gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit’
Woordelijk vertaald staat hier ‘hij erkende en ontkende niet, hij erkende’. Dat komt erg overdadig en dubbelop over. De ook voor Johannes tamelijk tautologische formulering is in De Nieuwe Bijbelvertaling, net als in veel hedendaagse vertalingen, opgevat als een manier om de betekenis van het werkwoord extra krachtig te verwoorden.
[Joh. 1:20] ‘de messias’
In het Grieks staat hier ho christos. In De Nieuwe Bijbelvertaling is dat vertaald met ‘de messias’. In deze vertaling komt duidelijk naar voren dat deze titel geworteld is in Joodse verwachtingen van een persoon die van God de volmacht heeft ontvangen om een centrale rol te spelen in de eindtijd.
[Joh. 1:23] ‘de stem die roept’
De Nederlandse uitdrukking ‘ik ben een roepende in de woestijn’ die op deze tekst gebaseerd is, is gaan betekenen ‘ik vind nergens gehoor’, en dat is niet de strekking van Johannes’ uitspraak.
[Joh. 1:23] ‘zoals de profeet Jesaja gezegd heeft’
In het Grieks is niet duidelijk of deze woorden door Johannes gezegd worden of tot de vertellerstekst behoren. De Nieuwe Bijbelvertaling kiest voor het eerste, de Groot Nieuws Bijbel bijvoorbeeld voor het tweede: Hij antwoordde met de woorden van de profeet Jesaja: ‘Ik ben een stem ...’
[Joh. 1:27] ‘riemen’
In het Grieks staat hier een enkelvoud (de riem van zijn sandaal). De formulering hier verwijst naar de gehele handeling van het losmaken van de schoenriemen, de taak van een slaaf. In zo’n geval is in het Nederlands een meervoud gebruikelijker. (Vgl. ‘Je moet je veters vastmaken voordat je wegloopt.’)
[Joh. 1:29,36] ‘Daar is’
Het woordje ide of idou (letterlijk ‘zie’) is een semitisme in het Nieuwe Testament. Het heeft verschillende functies (zie Het woordje idou (‘zie!’) [NT]). Hier wordt het gevolgd door een nominativus; in zo’n geval kan het het beste met ‘dit is’, ‘daar is’, ‘daar komt’ of iets dergelijks vertaald worden.
[Joh. 1:30] ‘meer’
Het Griekse woord emprosthen heeft meestal een ruimtelijke betekenis (staan voor iets of iemand), soms een temporele (voorafgaand aan), maar ook een kwalitatieve (boven iemand). In Johannes 1:30 (en 1:15) ligt de betekenis ‘voorafgaand aan’ minder voor de hand omdat dat in het vervolg van de zin al staat: ‘want hij was er vóór mij’. De ruimtelijke betekenis is hier ook niet erg zinvol. Daarom is er in De Nieuwe Bijbelvertaling, net als in de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel, gekozen voor de kwalitatieve betekenis: hij is meer dan ik.
[Joh. 1:33] ‘Nog’
Net als in Johannes 1:31 heeft het Grieks hier kagô, kai egô. Met ‘nog wist ik niet’ trekt De Nieuwe Bijbelvertaling de lijn van Johannes 1:26 (‘iemand die u niet kent) en Johannes 1:31 (‘ook ik’) door.
[Joh. 1:33] ‘zei’
De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt de Griekse verleden tijd met een gewone verleden tijd. Andere vertalingen kiezen vaak vanuit de verhaallijn voor een voltooid verleden tijd: ‘had gezegd’.
[Joh. 1:34] ‘En dat’
De passage wordt afgerond met opnieuw, na Johannes 1:31 en 1:33, kagô, in de vertaling weergegeven met een nadrukkelijke terugverwijzing naar de vorige zin.
[Joh. 1:37] ‘gingen [...] mee’
[Joh. 1:43] ‘Ga met mij mee’
Het Griekse akoloutheô kan concreet en figuurlijk worden gebruikt: ‘met iemand meegaan’ en ‘iemands volgeling worden’. Ook het Nederlandse ‘volgen’ heeft deze beide aspecten, maar in de bijbelse context wordt de heel concrete betekenis al snel over het hoofd gezien. Daarom is hier in de aanloop van het verhaal ‘volgen’ een paar keer afgewisseld met ‘met iemand meegaan’. Ook in Johannes 11:31, 18:15 en 20:6 is een andere keuze dan ‘volgen’ gemaakt.
[Joh. 1:38] ‘logeert’
Het Griekse werkwoord hier is menô, ‘blijven’, ‘zich bevinden’. Het komt heel vaak voor in Johannes, vaak met concrete betekenis, zoals in Johannes 2:12, 4:40, 7:9, 8:35 en 10:40. Op een aantal plaatsen heeft het een specifieke lading en duidt het op blijvende verbondenheid met Jezus en met God. Zie Johannes 6:56, 8:31, en vooral Johannes 15.
Menô is in De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) meestal met ‘blijven’ vertaald, maar hier is dat niet mogelijk. Sommige vertalingen proberen het verband met ‘blijven’ te bewaren door te vertalen ‘waar verblijft u’ of ‘waar houdt u verblijf’. Deze formulering past niet in het eenvoudige taalregister van Johannes, en wie niet weet dat het Griekse woord in Johannes 1:38 hetzelfde is als in Johannes 15 zal uit de vormovereenkomst tussen ‘waar verblijft u’ en ‘blijf in mijn liefde’ niet snel een betekenisverband afleiden.
Sommige vertalingen kiezen ‘Waar woont u’ (Statenvertaling, Groot Nieuws Bijbel 1983), maar omdat ‘wonen’ een voor deze situatie erg permanent karakter heeft, kiest de NBV ‘logeren’.
[Joh. 1:39] ‘twee uur voor zonsondergang’
Letterlijk vertaald staat hier ‘ongeveer het tiende uur’. Zie Tijdsaanduidingen [NT].
[Joh. 1:41] ‘Christus, ‘gezalfde’’
Het Griekse christos wordt in De Nieuwe Bijbelvertaling, als het als titel gebruikt is, vertaald met ‘messias’. Omdat eerder in dit vers in het Grieks, net als in Johannes 4:25, al het woord messias staat, een verbastering van het Hebreeuwse masjiach, is christos hier vertaald met ‘gezalfde’. Christos functioneert hier immers in de Griekse tekst zelf ook als vertaling van masjiach. Omdat christos tegelijkertijd ook naar de naam verwijst die in eerder in dit hoofdstuk, in Johannes 1:17, genoemd is, is het als volgt vertaald: ‘Christus, gezalfde’.
[Joh. 1:42] ‘Petrus’
Het Griekse woord kêfas is waarschijnlijk geïnterpreteerd als een weergave van het Aramese kéfa, ‘de rots’. Het Griekse woord daarvoor is petros, ‘steen’, of petra, ‘rots’. Bij een woordelijke vertaling zou er staan: ‘voortaan zul je Kefas heten’ (dat is ‘rots’). Maar omdat Simon vervolgens nergens met Kefas aangeduid wordt, maar met ‘Simon Petrus’ (al in Johannes 1:40) of met Petrus (1:44) is in De Nieuwe Bijbelvertaling voor een dubbele weergave van kêfas gekozen, zodat ook ‘Petrus’ in de vertaling staat.
[Joh. 1:51] ‘Waarachtig, ik verzeker jullie’