Jozef en de vrouw van Potifar

[Gen. 39:1-20a]
[39] 1Jozef was dus door de Ismaëlieten» meegenomen naar Egypte, en daar was hij gekocht door Potifar, een vooraanstaand man die tot de hovelingen van de farao behoorde en het bevel voerde over zijn lijfwacht. 2De HEER stond Jozef terzijde, zodat het hem goed ging. Hij mocht in het huis van zijn Egyptische meester werken. 3Omdat zijn meester zag dat de HEER Jozef terzijde stond en alles wat hij ter hand nam voorspoedig liet verlopen, 4was hij Jozef goedgezind: hij maakte hem tot zijn persoonlijke bediende, liet de gang van zaken in huis aan hem over en gaf hem het beheer over alles wat hij bezat. 5En vanaf het ogenblik dat hij hem belastte met het toezicht op zijn huis en zijn verdere bezittingen, zegende de HEER het huis van die Egyptenaar omwille van Jozef. De zegen van de HEER rustte op alles wat hij bezat, in huis en daarbuiten. 6Daarom vertrouwde hij alles volledig aan Jozef toe; nu Jozef er was, bekommerde hij zich alleen nog om wat hij te eten kreeg.
Jozef was knap en aantrekkelijk. 7Na verloop van tijd liet de vrouw van zijn meester haar oog op hem vallen. ‘Kom bij me liggen,’ zei ze. 8Maar dat weigerde hij. ‘Sinds ik hier ben,’ zei hij, ‘maakt mijn meester zich geen zorgen meer over wat dan ook hier in huis, en hij heeft mij het beheer gegeven over al zijn bezittingen. 9Ik heb hier evenveel gezag als hij, en hij heeft mij niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?’ 10Dag in dag uit probeerde ze Jozef over te halen, maar hij gaf niet toe, hij wilde niet bij haar gaan liggen. 11Maar op zekere dag, toen hij de binnenvertrekken in kwam om zijn werk te doen en daar niemand anders van de bedienden was, 12greep ze hem bij zijn kleed. ‘Kom bij me liggen,’ drong ze aan, maar hij vluchtte naar buiten; zijn kleed liet hij bij haar achter. 13Toen ze besefte dat hij gevlucht was en zijn kleed bij haar had gelaten, 14riep ze haar bedienden en zei tegen hen: ‘Mooi is dat! Hij moest zo nodig een Hebreeër in huis halen – zeker om zich met ons te kunnen vermaken»! Die man is mijn kamer binnengedrongen en wilde bij me komen liggen, maar ik begon hard te schreeuwen. 15Toen hij dat hoorde, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 16Ze liet het kleed naast zich liggen totdat Jozefs meester thuiskwam, 17en vertelde hem hetzelfde verhaal: ‘Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis hebt gehaald, is mijn kamer binnengedrongen om zich met me te vermaken». 18En toen ik het op een schreeuwen zette, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 19Toen Jozefs meester haar hoorde vertellen dat ze zo door zijn slaaf was behandeld, werd hij woedend. 20Hij liet Jozef oppakken en in de gevangenis zetten die bestemd was voor de gevangenen van de koning.
Uit: De Nieuwe Bijbelvertaling

© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Gen. 39:1] ‘Ismaëlieten’
Terwijl Genesis 37:36 de Medanieten (Midjanieten) noemt als degenen die Jozef verkochten in Egypte, zijn het in 39:1 de Ismaëlieten. Ook dit verschil herinnert aan de twee versies van Jozefs verkoop naar Egypte (zie Algemeen [Gen. 37]).
[Gen. 39:14] ‘om zich met ons te kunnen vermaken’
[Gen. 39:17] ‘om zich met me te vermaken’
In dit hoofdstuk probeert Potifars vrouw Jozef te verleiden en als dat niet lukt beschuldigt ze hem van een poging tot verkrachting. Haar taalgebruik is steeds wat dubbelzinnig. Hier gebruikt ze een werkwoord dat ‘plezier maken met’ betekent. Er zit duidelijk een seksuele kant aan (zie ook Genesis 26:8), maar tegelijk ook een beledigend aspect (zie ook 21:9). Die beide elementen komen terug in de woordkeus van De Nieuwe Bijbelvertaling.
Voor een typering van het dubbelzinnige taalgebruik van Potifars vrouw, zie Met Andere Woorden 27 (3), 2008, pp. 49-50.