[Ex. 20:1-17]
[20] 1Toen sprak God deze woorden:
2Ik ben de HEER, uw God», die u uit Egypte, uit de slavernij», heeft bevrijd.
3Vereer» naast mij» geen andere goden.
4Maak geen godenbeelden», geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 5Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij». Voor de schuld van de ouders» laat ik» de kinderen boeten», en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten»; 6maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
7Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet», want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.
8Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. 9Zes dagen lang kunt u» werken en al uw arbeid verrichten, 10maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen», voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. 11Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard.
12Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven» in het land dat de HEER, uw God, u geven zal.
13Pleeg geen moord».
14Pleeg geen overspel».
15Steel niet».
16Leg over een ander geen vals getuigenis af.
17Zet uw zinnen niet op» het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Ex. 20:2] ‘Ik ben de HEER, uw God’
Met deze woorden stelt de HEER zich direct en persoonlijk aan Israël voor. Op zich kan het Hebreeuws ook vertaald worden met: ‘Ik, de HEER, ben uw God.’ Daarmee wordt dan gesuggereerd dat Israël in het voorafgaande deel van Exodus al helemaal bekend was met de HEER en nu het nieuws krijgt dat de HEER ook God is. Dat is echter niet het geval: tot nu toe heeft Israël deze bijzondere God slechts indirect leren kennen, vooral door bemiddeling van Mozes.
[Ex. 20:2] ‘slavernij’
De traditionele vertaling is ‘diensthuis’. In het Hebreeuws beet ‘avadiem, letterlijk: ‘huis van slaven’. Daarin speelt het maatschappelijke begrip ‘slavernij’ een rol. In Exodus 13:3 is beet ‘avadiem meer geografisch bedoeld: ‘slavenland’. In de Nieuwe Bijbelvertaling zijn beide weergaven in verband met Egypte gebruikt. Hier hebben de vertalers met ‘slavernij’ het sociale aspect benadrukt.
[Ex. 20:3] ‘Vereer’
De uit oude vertalingen van de tien geboden bekende vorm ‘gij zult’ is een verouderde vorm om een verplichting uit te drukken. Zo’n omschrijving met ‘zullen’ in de betekenis van ‘moeten’ komt nog wel voor, maar dan heeft ‘zullen’ nadrukkelijk klemtoon, bijvoorbeeld ‘Je zúlt het me vertellen!’ In hedendaags Nederlands is de imperatief of gebiedende wijs een goede vorm om een verplichting uit te drukken. Een andere mogelijkheid is een omschrijving met ‘u moet’ of ‘u mag niet’, maar voor deze wetstekst is de voorkeur gegeven aan imperatieven, omdat die krachtiger en minder moraliserend klinken dan ‘u mag niet’.
[Ex. 20:3] ‘naast mij’
De betekenis van het Hebreeuwse ‘al-panai is niet erg duidelijk. De uitdrukking komt met betrekking tot God niet vaak in de bijbel voor. Traditioneel is de uitdrukking vertaald met ‘voor mijn aangezicht’. In het gebod in vers 3 is de frase in de Nieuwe Bijbelvertaling opgevat als ‘naast mij’, in de zin van ‘buiten mij/behalve mij geen andere goden’. De woorden ‘mijn aangezicht’ zijn dan meer in algemene zin opgevat als aanduiding van de persoon (als pars pro toto). Er zijn ook andere interpretaties:
1. ‘ten koste van mij’ (zoals in de Willibrordvertaling);
2. ‘tegenover mij’. In deze interpretatie wordt de vijandige houding ten opzichte van andere goden beklemtoond;
3. ‘bij mij’ namelijk in het heiligdom dat aan de HEER is gewijd. Dat houdt in het bijzonder in dat daar geen beelden van andere goden mogen worden geplaatst;
4. ‘wegens mijn aanwezigheid’. Deze interpretatie is te vinden in de Groot Nieuws Bijbel: ‘Ik ben er immers’.
[Ex. 20:4] ‘godenbeelden’
De Hebreeuwse term pèsèl duidt op een uit hout gesneden of uit steen gehakt godenbeeld (in latere teksten ook op een uit metaal gegoten beeld – zie bijv. Jesaja 44:9-10). In de traditionele vertaling ‘gesneden beeld’ ligt de nadruk op de wijze waarop het beeld vervaardigd is, terwijl het in de tien geboden gaat om het feit dat de God van Israël de Israëlieten verbiedt een beeld van welke godheid dan ook te maken, en of dat beeld gesneden, gehakt of gegoten is doet er niet toe.
[Ex. 20:5] ‘duld geen andere goden naast mij’
Ook een vertaling met ‘jaloers’ zou hier mogelijk zijn, maar omdat dat woord allereerst op een gevoel duidt en een wat negatieve bijklank heeft, is hier met het oog op de context vertaald: ‘geen verering van andere goden verdragend’.
[Ex. 20:5] ‘ouders’
Het Hebreeuwse woord ’avot, dat traditioneel met ‘(voor)vaders’ of ‘(voor)vaderen’ wordt weergegeven, kan ook een bredere (inclusieve) betekenis hebben: ‘(voor)ouders, voorgeslacht’. Omdat uit de brontekst niet blijkt dat het hier uitsluitend om mannen gaat, is in de vertaling gekozen voor een term die zowel op mannen als vrouwen kan slaan. Ook ‘kinderen’ in hetzelfde vers is een inclusieve vertaling.
[Ex. 20:5] ‘laat ik [...] boeten’
In oudere vertalingen staat hier ‘bezoeken’, niet in de neutrale betekenis ‘op bezoek komen’, maar in de betekenis ‘met bewijzen van ongenade treffen’. Ook in de Nieuwe Bijbelvertaling is met ‘laten boeten’ voor deze door velen aanvaarde interpretatie van het Hebreeuwse werkwoord paqad gekozen en niet voor de soms bepleite interpretatie ‘rekenschap vragen’. ‘Laten boeten’ vormt een goede tegenstelling met ‘liefde bewijzen’ in het volgende vers.
[Ex. 20:5] ‘het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten’
Woordelijk vertaald staat hier: ‘het derde en het vierde geslacht van de mij hatenden’. Over de vraag wie ‘de hatenden’ zijn, bestaan twee opvattingen:
1. het heeft betrekking op de ouders: de ouders zijn in overtreding geweest en sleuren het nageslacht mee in het onheil. Deze interpretatie is gevolgd in de NBG-vertaling 1951, en ook in de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel.
2. het heeft betrekking op de kinderen: ‘het derde en vierde geslacht van haters’. Het achteraan staan van deze frase in de brontekst pleit ervoor de bepaling als een toespitsing van het voorafgaande te zien. Deze interpretatie sluit aan bij Deuteronomium 7:10 en 24:16 waar duidelijk de persoonlijke verantwoordelijkheid gesteld wordt.
De Nieuwe Bijbelvertaling sluit zich aan bij de tweede interpretatie, net als bijvoorbeeld de Franse vertaling Traduction Œcuménique de la Bible.
[Ex. 20:7] ‘Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet’
Het Hebreeuws kan men letterlijk vertalen met ‘Neem de naam van de HEER, uw God, niet (op de lippen) voor niets’. In plaats van ‘voor niets’ kan het Hebreeuws ook ‘bedrieglijk, leugenachtig’ betekenen. Het gebod gaat over alle momenten waarop men een bepaalde situatie wil legitimeren met een beroep op de HEER, terwijl hij daarmee niets te maken heeft. Te denken valt aan meineed, het afleggen van een valse eed, een vervloeking uitspreken met een beroep op de HEER en aan valse profetie. Het werkwoord ‘misbruiken’ is in al deze situaties van toepassing.
[Ex. 20:9] ‘kunt u’
In de traditionele vertalingen is het Hebreeuws als een uitdrukkelijk gebod vertaald: ‘zes dagen zult gij arbeiden’. Grammaticaal kan de Hebreeuwse werkwoordsvorm een mogelijkheid, een wens, een opdracht of een bevel uitdrukken. In de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) is net als in de Willibrordvertaling gekozen voor ‘kunt u werken’. Het gaat hier namelijk niet om de verplichting tot werken gedurende zes dagen, maar om het beperken van arbeid tot zes dagen van de week en de verplichting te rusten op de zevende dag. In de NBV loopt de zin om diezelfde reden door in Exodus 20:10: zes dagen kunt u werken ... maar de zevende dag ... mag u niet werken.
[Ex. 20:10] ‘zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen’
Veel vertalingen nemen het enkelvoud uit het Hebreeuws over: ‘uw zoon’, ‘uw dochter’, ‘uw slaaf’, ‘uw slavin’. De Nieuwe Bijbelvertaling gebruikt meervoudsvormen. Het gaat in dit gebod niet om een enkeling, één specifieke zoon of één enkele slavin, maar om alle zonen en dochters en alle slaven en slavinnen van het volk Israël, dat hier toegesproken wordt. In het Nederlands kan in zo’n geval goed een meervoud gebruikt worden. Weliswaar kan ook met een enkelvoud een algemene uitspraak worden gedaan (‘de/een bijbelvertaler moet kiezen’), maar in de combinatie met een bezittelijk voornaamwoord lijkt het dan toch weer over afzonderlijke individuen te gaan.
[Ex. 20:12] ‘Dan wordt u gezegend met een lang leven’
De Hebreeuwse uitdrukking kan letterlijk vertaald worden met ‘zodat uw dagen lang zullen zijn’. De bedoeling daarvan is: de duur van het leven wordt verlengd. Het gaat hier om een belofte, een toezegging; wie zich houdt aan dit gebod zal een lang leven ten deel vallen. Het verband tussen gebod en belofte is in de Nieuwe Bijbelvertaling tot uitdrukking gebracht met ‘dan wordt u gezegend met ...’
[Ex. 20:13] ‘Pleeg geen moord’
Het gebruikte Hebreeuwse werkwoord heeft in een gebodstekst als deze betrekking op directe, opzettelijke, wederrechtelijke doodslag. Het is gericht op situaties waarin iemand voor eigen rechter wil spelen of uit haat een ander van het leven berooft. Op gevallen van doodslag zonder voorbedachte rade zijn andere regels van toepassing, bijvoorbeeld die van het asielrecht (zie Numeri 35, Deuteronomium 4 en 19 en Jozua 20-21). In Exodus 20:13 gaat het in elk geval niet om het doden krachtens de regels van de rechtspraak of om het doden als oorlogshandeling (beide zijn onder bepaalde voorwaarden toegestaan). ‘Dood niet’ of ‘dood niemand’ is daarom een te algemene vertaling.
[Ex. 20:14] ‘Pleeg geen overspel’
Het gaat niet om een verbod op echtscheiding. Het gebruikte Hebreeuwse werkwoord slaat op het plegen van overspel van een man met de vrouw van een ander, of andersom. Overspel betekende in de Oudisraëlitische samenleving een schending van het alleenrecht van een man op zijn vrouw. Door een verbod op overspel moet worden zeker gesteld dat het familiebezit overgaat op wettige erfgenamen.
[Ex. 20:15] ‘Steel niet’
Het Hebreeuwse werkwoord nagav heeft betrekking op het heimelijk wegnemen van voorwerpen of dieren (zie bijvoorbeeld Exodus 21:37 en 22:6), maar ook van mensen. In het laatste geval slaat het verbod op ontvoering en mensenroof. Hierbij is te denken aan Jozef, die in Genesis 40:15 verklaart dat hij is ontvoerd uit het land van de Hebreeën. Volgens Exodus 21:16 staat er een zware sanctie op ontvoering. Het lastige is dat het in het Nederlands ontbreekt aan een term die zowel stelen als ontvoeren omvat. Omdat het verbod bij voorkeur kort en krachtig moet zijn, is toch voor ‘stelen’ gekozen en niet voor een explicitering als bijvoorbeeld ‘steel niet en ontvoer niemand’.
[Ex. 20:17] ‘Zet uw zinnen niet op’
‘Zijn zinnen zetten op iets’ (voortdurend ergens aan denken en ernaar streven) is iets actiever dan ‘begeren’ (verlangen koesteren); het leent zich daarom meer voor een verbod.