De komst van de heilige Geest

[Hand. 2:1-13]
[2] 1Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. 2Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. 3Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, 4en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen», zoals hun door de Geest werd ingegeven.
5In Jeruzalem woonden destijds» vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde». 6Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen» en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. 7Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? 8Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal» horen? 9Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, 10Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome» die zich hier gevestigd hebben, 11Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië» – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ 12Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ 13Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn».’
Uit: Nieuwe Bijbelvertaling
© 2004/2007 Nederlands Bijbelgenootschap
[Hand. 2:4] ‘in vreemde talen’
In het Grieks heeft dit vers een woordspel met het voorafgaande: in beide verzen wordt het Griekse woord glôssa gebruikt, dat vertaald kan worden met ‘tong’ of ‘taal’. In Handelingen 2:3 gaat het om vuurtongen en in 2:4 om verschillende vreemde talen die gesproken worden (dat blijkt uit het vervolg, 2:9-11). Deze talen mogen niet verward worden met de zogenaamde klanktaal uit Handelingen 10:46 en 19:6.
[Hand. 2:5] ‘In Jeruzalem woonden destijds’
Handelingen 2:5 opent een nieuwe alinea, waarin ook nieuwe participanten worden geïntroduceerd. Het gaat nu niet over pelgrims, maar over mensen die zich in Jeruzalem gevestigd hebben.
De NBG-vertaling 1951, de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel verbinden Handelingen 2:5-13 met behulp van het woordje ‘nu’ met 2:1-4. De Nieuwe Bijbelvertaling kiest voor ‘destijds’. De (noodzakelijke) verbinding tussen de eerste en tweede alinea van Handelingen 2 kan niet anders dan door een tijdsbepaling worden weergegeven, juist omdat er nieuwe participanten (de ‘vrome Joden’) worden geïntroduceerd.
[Hand. 2:5] ‘ieder volk op aarde’
Letterlijk vertaald staat hier in de brontekst: ‘uit ieder volk onder de hemel’. Deze uitdrukking past in het streven van Lucas om aan te sluiten bij de taal van de Septuaginta, het Griekse Oude Testament (vergelijk Deuteronomium 2:25). In de vertaling is gekozen voor ‘op aarde’ om een te sterke markering te vermijden. Vergelijk Semitismen [NT].
[Hand. 2:6] ‘dromden ze samen’
Veel vertalingen vertalen het Griekse to plêthos met ‘menigte’ (Statenvertaling, NBG-vertaling 1951, Willibrordvertaling) of ‘mensen’ (Groot Nieuws Bijbel). Dit laat de mogelijkheid open dat niet alleen Joden, maar ook anderen te hoop liepen. Dat heeft tot gevolg dat de hedendaagse lezer de opsomming in Handelingen 2:9-11 zal betrekken op de niet-Joodse volken uit de genoemde gebieden. Om dit te voorkomen is het zelfstandig naamwoord plêthos in de Nieuwe Bijbelvertaling werkwoordelijk weergegeven met ‘dromden ze samen’. ‘Ze’ verwijst dan naar de vrome Joden uit ieder volk op aarde.
Wie bedoeld worden met ‘hen’ in hetzelfde vers (‘want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken’) is grammaticaal niet duidelijk. Uit de context blijkt dat dit voornaamwoord verwijst naar ‘allen’ (Handelingen 2:4), dat wil zeggen niet naar de apostelen alleen, maar naar alle christenen. Vandaar de vertaling ‘de apostelen en de andere leerlingen’.
[Hand. 2:8] ‘moedertaal’
De frase ‘onze eigen taal, waarin wij geboren zijn’ in de NBG-vertaling 1951 is een tamelijk letterlijke weergave van het Grieks. Met deze woorden wil de auteur aanduiden dat de toehoorders de leerlingen niet in het Grieks hoorden spreken, maar in de lokale talen van de streek waar de toehoorders geboren waren. In het Nederlands kan de term ‘moedertaal’ hiervoor gebruikt worden.
[Hand. 2:10] ‘Joden uit Rome’
De brontekst spreekt over ‘Romeinen’. Dit woord heeft in het hedendaagse Nederlands echter een andere inhoud gekregen dan Lucas heeft bedoeld. Het zal door een moderne lezer niet snel worden opgevat als een aanduiding van uit Rome afkomstige Joden, waardoor gemakkelijk misverstanden kunnen ontstaan.
[Hand. 2:11] ‘Arabië’
De vertaling met ‘Arabieren’ (zoals die te lezen is in veel vertalingen) is enigszins misleidend, omdat daar tegenwoordig iets anders onder verstaan wordt. Het relatief kleine gebied Arabië waarop hier wordt geduid, ligt ten zuiden van de Dode Zee, ook wel het gebied van de Nabateeërs genoemd. Het is ook mogelijk dat de auteur van Handelingen – overeenkomstig de Romeinse indeling – een groter gebied op het oog had. Toch wordt vandaag het woord ‘Arabieren’ geassocieerd met een nog veel uitgestrekter gebied. Daarom is in de Nieuwe Bijbelvertaling gekozen voor ‘mensen uit Kreta en Arabië’.
[Hand. 2:13] ‘Ze zullen wel dronken zijn’
De Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951 kiezen voor de formulering ‘zoete wijn’. Dit legt echter in het Nederlands het accent op een bepaalde alcoholische drank, met name door het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord. Het verschijnsel van de veronderstelde dronkenschap raakt zo helemaal op de achtergrond, terwijl het daar juist om gaat. Om die reden is gekozen voor de functionele vertaling met ‘dronken’.