Edelstenen [Op. 21]
De vertaling van de edelstenen in Openbaring 21:19-20 loopt in diverse bijbelvertalingen erg uiteen. Het is moeilijk om te weten welke steen men met een bepaalde term aanduidde. Voor de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) zijn antieke bronnen over edelstenen geraadpleegd en literatuur over edelstenen in de oudheid. Als duidelijk was welke steen met een bepaalde term bedoeld werd, is in de vertaling de huidige Nederlandse benaming gekozen.
Zo blijkt uit de bronnen dat men met de term sapfeiros lapis lazuli, lazuur(steen), aanduidde en niet de blauw-achtige variant van de robijn die nu ‘saffier’ genoemd wordt. Als vertaling is in de NBV aanvankelijk ‘lazuursteen’ gekozen; later (correctieronde 2006/2007) is dit aangepast tot ‘lazuur’.
De huakinthos, een populaire steen in de Hellenistische periode, wordt bij Plinius omschreven als een steen met een rood-goudgele gloed, die tot het geslacht van de ‘carbunculus’ wordt gerekend; waarschijnlijk werd er een variant van de granaat mee bedoeld, en in de NBV is de vertaling ‘granaat’ gekozen.
Een moeilijk geval was de term iaspis. In Openbaring 21:11 is sprake van ‘kristalheldere’ iaspis, maar tegenwoordig wordt met ‘jaspis’ een volledig ondoorzichtige steen aangeduid. In antieke literatuur wordt de term niet voor één specifieke steen gebruikt, maar voor diverse stenen van verschillende kleuren, zowel doorzichtige als ondoorzichtige. Omdat het niet vast te stellen is welke steen men op het oog had, is in de NBV toch voor de antieke term ‘jaspis’ gekozen.