Tijdsaanduidingen [NT]
In het Nieuwe Testament rekent men met een dag van twaalf uren. De tijd tussen zonsopgang en zonsondergang werd opgedeeld in twaalf uren. De dag begon niet op een vaste tijd en de uren waren vaak niet precies zestig minuten (de duur van een uur hing af van de lengte van de dag en bedroeg tussen de vijftig en zeventig minuten). In de zomer waren de uren van de dag dus langer dan in de winter.
De vaste ijkpunten waren ‘het derde uur’ midden op de ochtend, ‘het zesde uur’ rond het middaguur, ‘het negende uur’ midden op de middag en ‘het twaalfde uur’ als de dag eindigt en de avond begint.
In de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) zijn culturele aspecten zoals tijdsrekening in stand gebleven. Toch is er doorgaans niet gekozen voor een letterlijke vertaling. Immers, een vertaling als ‘het zesde uur’ lijkt erg op ‘zes uur’ en kan daardoor verwarring oproepen. In de NBV is de tijdsrekening daarom zoveel mogelijk gerelateerd aan de vaste momenten van de dag: zonsopgang, middaguur en zonsondergang. Zo is er bijvoorbeeld sprake van ‘rond het middaguur’ (Johannes 4:6, 19:14) en ‘ongeveer twee uur voor zonsondergang’ (1:39).