Thema [Marc. 7:24-30]
In Marcus 7:24-30 speelt de dialoog tussen Jezus en de Syro-Fenicische vrouw een bepalende rol. De vrouw komt naar Jezus toe en smeekt hem haar dochter te genezen. Jezus’ reactie is opvallend. Hij zegt niet: ‘Nee, dat kan ik niet doen’. Wel werpt hij een obstakel op. Hij stelt dat eerst de kinderen voldoende te eten moeten krijgen. Het is niet goed om het brood dat voor de kinderen (de Joden) bestemd is, aan de honden (de heidenen) te voeren. Het probleem is niet dat er te weinig brood is, maar dat de kinderen voldoende gelegenheid moeten krijgen om te eten. Meteen al brood aan de honden geven is te snel. De vrouw bestrijdt dit niet. Maar ze wijst er op dat er ook nu al wel iets voor de honden onder de tafel valt.
In Marcus 7:29 blijkt, dat de vrouw met haar antwoord het door Jezus opgeworpen obstakel uit de weg heeft geruimd. Niets wijst er echter op dat Jezus zich afgetroefd voelt door de vrouw of dat hij gedwongen is zijn standpunt te herzien. Integendeel, uit zijn antwoord spreekt bijval. Jezus is het met haar eens, zoals hij het vaker eens is met mensen die blijk van vertrouwen geven (zie bijvoorbeeld Lucas 7:7-10). De vrouw heeft gelijk: de genezing van haar dochter, al is die van heidense afkomst, gaat niet ten koste van de kinderen voor wie Jezus gekomen is. Jezus geneest haar dochter, omwille van het geloof dat blijkt uit het antwoord van de vrouw.