Tekst & toelichting
Werkwoordstijden [Joh. 1:19-51]
In Johannes wordt in het Grieks herhaaldelijk een tegenwoordige tijd gebruikt op plaatsen waar de lezer een verleden tijd verwacht. In deze perikoop is dat het geval in Johannes 1:29, 1:36, 1:38, 1:39, 1:41, 1:43, 1:45, 1:46, 1:47, 1:48, 1:51. In veel gevallen gaat het om vormen van het werkwoord ‘zeggen’, maar het is niet zo dat dit werkwoord steeds in de tegenwoordige tijd staat. Dit verschijnsel wordt presens historicum genoemd. Oorspronkelijk werd het waarschijnlijk gebruikt om historische teksten te verlevendigen, maar in de Nieuwtestamentische geschriften is de functie onduidelijk. Ook in het Nederlands is een afwisseling van een verleden tijd en een tegenwoordige tijd mogelijk, maar een tekst waarin dit voorkomt krijgt al snel het karakter van spreektaal. (‘Ik ging gisteren naar de verjaardag van Ellie. Ik kwam de kamer binnen en daar zie ik Piet zitten. Ik zeg: ‘Piet, hoe gaat ermee?’ Piet komt op me af en zegt ...’)
In De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) is het presens historicum niet terug te vinden. In Het is altijd geweest, het Woord, de Johannesvertaling van M.H. van der Zeyde, en in de Groningse vertaling van Johannes wordt wel een tegenwoordige tijd gebruikt op dezelfde plaatsen waar het Grieks een presens heeft. Maar de meeste moderne vertalingen volgen dezelfde strategie als de NBV en vertalen het presens in deze gevallen met een verleden tijd.