Het Woord – het of hij? [Joh. 1:1-18]
De proloog gaat over ho logos, het gepersonifieerde woord. Ho logos wordt in Johannes 1:1 drie keer en in 1:14 een keer genoemd. Tussen Johannes 1:1 en 1:14 worden in de Griekse tekst verwijswoorden gebruikt (houtos in Johannes 1:2, autos in Johannes 1:3) of is ho logos impliciet onderwerp van een zin, zoals in Johannes 1:10. Het Griekse woord logos is mannelijk en de verwijzing ernaar is mannelijk. In Johannes 1:10 zou de genitivus autou naar ‘het licht’ (to fôs) kunnen verwijzen, maar aan de mannelijke accusativus auton verderop in de zin is te zien dat het ook hier om een verwijzing naar het mannelijke woord ho logos moet gaan.
In het Nederlands doet zich een extra probleem voor: ‘het Woord’ is onzijdig, maar de geïmpliceerde ‘persoon’ mannelijk, waardoor een probleem ontstaat met de verwijzing: moet die ‘het’ of ‘hem’ luiden? In De Nieuwe Bijbelvertaling is in Johannes 1:1-4, waar het nog over het Woord als principe gaat, gekozen voor onzijdig verwijzen; in 1:10 is de overgang gemaakt naar mannelijk verwijzen. Op enkele plaatsen is ‘het Woord’ geëxpliciteerd, omdat een verwijswoord daar naar een ander substantief dan het Woord zou verwijzen: ‘daarin’ in Johannes 1:2 zou naar ‘wat bestaat’ in de vorige zin verwijzen, ‘het’ in 1:10 naar ‘het licht’.
Andere vertalingen kiezen soms andere oplossingen voor dit probleem. De Willibrordvertaling gebruikt vanaf Johannes 1:3 ‘hij’ (Hem), hoewel dat daar in eerste instantie op ‘God’ in Johannes 1:2 slaat. De NBG-vertaling 1951 expliciteert het Woord in Johannes 1:3 en 1:4, en gaat in 1:10 over op ‘hij’. De Groot Nieuws Bijbel verwijst vanaf Johannes 1:10 met ‘hij’ en expliciteert op alle plaatsen daarvoor. Sommige Franse vertalingen die met ‘elle’ naar la Parole verwijzen, gaan in Johannes 1:10 over op ‘il’, andere blijven consequent ‘elle’ gebruiken, ook in 1:14.