Genesis
Toegelichte passages
Losse kwesties
Algemene toelichting
Poëzie [Gen. 1-3]
Er is in Genesis 1-11 vaak sprake van een vloeiende overgang van proza naar poëzie. Narratieve prozagedeelten bevatten soms sterk poëtische elementen, en het is niet altijd eenvoudig deze poëtische elementen van de zuivere poëzie te onderscheiden.
Binnen Genesis 1-3 zijn twee passages te vinden die poëtische kenmerken bevatten. In de eerste plaats is dat Genesis 2:23. Dit is een ritmisch gedeelte met kenmerken zoals parallellisme, herhaling, assonantie, woordspel, chiasme en een strakke opbouw.
Het andere gedeelte is Genesis 3:14-19. In dit stuk tekst is de poëtische structuur niet overal even sterk, het ritme is niet overal regelmatig. Wel is er sprake van parallellisme, herhaling, klankassociaties, rijm en refreinen (‘je hele leven lang’). Het sterkst is de poëzie aan het slot (Genesis 3:19). In De Nieuwe Bijbelvertaling is Genesis 3:14-19 weergegeven als poëzie, omdat de opbouw in een proza-weergave voor de lezer verborgen zou blijven. De weergave als poëzie doet het meest recht aan de indringende passage, die bepaald wordt door herhaalde vervloeking en thema’s als ‘stof’, ‘zwoegen’ en ‘vijandschap’.
Het komt ook voor dat prozagedeeltes een of meer poëtische kenmerken bevatten. Zo is in Genesis 1:2 een opvallend klankpatroon te herkennen in de uitdrukking tohoe wavohoe. Parallellisme en klankassociaties zijn verder nog te vinden in Genesis 1:27, 2:2-3, 2:4b-5 en 3:6. In al deze gevallen geldt echter dat de tekst te weinig poëtische elementen bevat om ook echt als poëzie behandeld te worden. De meestal korte passages zijn daarom vertaald als proza, waar wel klankherhaling of parallellisme in te herkennen is.