Ezechiël
Structuur [Ezech. 37]
Ezechiël 37 heeft een plaats in het laatste deel van het boek, het deel met daarin voornamelijk heilsprofetieën (vergelijk Structuur [Ezechiël]). In Ezechiël 37 gaat het om de eenheid en de nieuwe toekomst voor Israël en Juda. Dit hoofdstuk valt uiteen in twee delen. Het eerste deel, Ezechiël 37:1-14, geeft een visioen weer dat de ‘opstanding’ van het volk van Israël beschrijft. Het tweede deel, Ezechiël 37:15-28, vertelt de opdracht tot een symbolische handeling die de hereniging van het zuidrijk Juda en het noordrijk Jozef = Efraïm = Israël uitbeeldt. Dit mondt uit in een heilsprofetie over de toekomst van het ene Israël onder zijn ene koning David, met de HEER als zijn God.
Twee verschillende beelden domineren het eerste deel van Ezechiël 37 (zie ook Beeldspraak [Ezech. 37:1-14]). Het eerste wordt beschreven in Ezechiël 37:1-10, het tweede in 37:12-14. Ezechiël 37:11 verbindt de beide metaforen met elkaar. Het citaat uit dit vers is opgebouwd uit drie korte formuleringen die in de brontekst op elkaar rijmen (door de uitgangen -enu of -anu).