Vertaalafstemming tussen OT en NT
Al vanaf het ontstaan van de christelijke kerk worden veel passages uit het Oude Testament uitgelegd als verwijzingen naar Christus. Hiermee deden de eerste christenen overigens niets vreemds: ook hun joodse tijdgenoten legden vaak teksten uit het Oude Testament uit als verwijzingen naar hun eigen situatie. Toen de oudtestamentische teksten opgeschreven werden, verwezen ze echter in eerste instantie naar situaties in de tijd van de oorspronkelijke schrijvers.
De vertaling van een citaat in het Nieuwe Testament komt niet altijd letterlijk overeen met de vertaling van de oudtestamentische passage waaruit geciteerd wordt. Dat heeft verschillende oorzaken. Als schrijvers van het Nieuwe Testament een passage uit het Oude citeerden, gebruikten ze die passage vaak op een manier die niet overeenkwam met de bedoeling van de oudtestamentische boeken in hun eigen tijd. Daardoor liggen de accenten in de passage in nieuwtestamentische context anders dan in de oorspronkelijke oudtestamentische context, en dat kan consequenties hebben voor de vertaling. Daarbij komt dat de nieuwtestamentische schrijvers meestal niet uit het Hebreeuwse Oude Testament citeerden, maar uit de Septuaginta (de Griekse vertaling van het Oude Testament). Vaak werd ook uit het hoofd geciteerd, waardoor de citaten niet altijd een even letterlijke weergave zijn van de oudtestamentische brontekst.
In de vertaling zijn oudtestamentische citaten in het Nieuwe Testament wel zoveel mogelijk afgestemd op de vertaling van de betreffende oudtestamentische passage. Goede voorbeelden zijn het citaat uit Jesaja 7:14 in Matteüs 1:23 (zie ook de aantekening bij ‘maagd’) en het citaat uit Hosea 2:1 in Romeinen 9:25-26.