Opbouw [1 Joh.]
De opbouw van de tekst wordt bepaald door associatieve verbanden die vaak terug- of vooruitwijzen. In De Nieuwe Bijbelvertaling is ervoor gekozen om met een indeling in vrij lange passages de grote structuur van de brief zichtbaar te maken.
Het gedeelte 1 Johannes 5:1-12 is daarbij onderdeel geworden van de perikoop die in 4:1 begint. Het ‘liefhebben’ in 1 Johannes 5:1 heeft dan, net als ‘liefde’, in 1 Johannes 4 al talloze malen geklonken. Het ‘uit God geboren zijn’, ‘uit God voortkomen’, ‘kind van God zijn’ is in heel 1 Johannes 3 en 4 al aan de orde.
In 1 Johannes 5:4 wordt overgeschakeld naar ‘het geloof’ waar de volgende alinea over gaat. Het geloof hangt samen met het getuigenis dat God over zijn Zoon heeft gegeven, en het leidt tot eeuwig leven. Aan het slot van 1 Johannes 5 (5:20) komt het eeuwige leven terug.
In 1 Johannes 5:13 begint de auteur aan een afronding. De verzen 1 Johannes 5:14-17 vormen een eenheid door het motief van het bidden. Wie bidt zal verhoord worden, ook wie bidt voor een zondaar, maar er moet wel onderscheid gemaakt worden tussen soorten zonden.
In 1 Johannes 5:18-21 volgt een samenvattende conclusie met driemaal ‘wij weten’ en driemaal de oppositie tussen wie uit God is en het kwaad. De woorden ‘het eeuwige leven’ vormen een fraaie afsluiting en een verbinding met het begin van de brief (1 Johannes 1:2). De laatste zin in 1 Johannes 1:21 lijkt dan te detoneren, maar hij sluit aan bij de tegenstellingen in 5:18-21: de afgoden zijn de uitingen van de slechte wereld en ze staan in direct contrast met de ware God van 5:20.