Verdwenen dieren in de Bijbel

Hoewel volgens Genesis 7 alle dieren met Noach in de ark de zondvloed overleefden, zijn sommige soorten toch verdwenen uit het dierenrijk - dat wil zeggen in De Nieuwe Bijbelvertaling . Zo is er geen pelikaan meer te bekennen, en ook het kleinvee bestaat er niet meer. In het NBV-project zijn afspraken gemaakt voor de vertaling van flora en fauna. Sommige dieren kregen vanzelfsprekend hun vertrouwde naam: schaap, ezel, paard en beer. Maar als de traditionele benamingen volgens de huidige kennis niet juist zijn, is voor een andere vertaling gekozen.
Vanouds komt in het Oude Testament veelvuldig de term 'kleinvee' voor. In Genesis 26:14 zijn de Filistijnen jaloers op Isaak, die 'kudden kleinvee en runderen en een talrijke slavenstoet' bezit, in 2 Kronieken 7:5 brengt Salomo bij de inwijding van de tempel een offer van 'tweeëntwintigduizend runderen en honderdentwintigduizend stuks kleinvee'. Wie in het woordenboek van Van Dale bij 'kleinvee' kijkt ziet de omschrijving 'schapen, geiten en varkens', met een citaat uit Exodus.
Maar wie een beetje bekend is met de bijbel weet dat er beslist geen onreine varkens werden geofferd. Met de Hebreeuwse term zijn schapen en geiten bedoeld en in De Nieuwe Bijbelvertaling is dan ook geen sprake meer van de verzamelterm 'kleinvee', maar van 'schapen en geiten'.

 

Pelikaan

In Leviticus 11 wordt niet alleen het varken genoemd als een diersoort die onrein is en niet gegeten mag worden, maar ook allerlei vogels, waterdieren, insecten en kruipende dieren. In de reeks vogels zijn sommige van naam veranderd, zoals 'de pelikaan' die in oude vertalingen in Leviticus 11: 18 genoemd werd. In De Nieuwe Bijbelvertaling staat daar nu 'de dwergooruil'. Het Hebreeuwse woordenboek dat bij de vertaling gebruikt wordt, vermeldt dat de betekenis 'pelikaan' weliswaar in de oudste vertalingen van de Hebreeuwse tekst voorkomt, maar dat die betekenis twijfelachtig is. De pelikaan is een watervogel, terwijl de bedoelde vogel op diverse plaatsen in de Bijbel toch duidelijk op het land leeft, en bij voorkeur in ruïnes. Men denkt nu eerder dat het om een uilensoort gaat. Zo vergelijkt de dichter van de klaagpsalm 102 zich met een vogel in de woestijn. In de NBG-vertaling van 1951 is dat een pelikaan, in De Nieuwe Bijbelvertaling staat:

'Ik ben als een uil in de woestijn,
een steenuil in een verlaten bouwval,
slaap ken ik niet, ik ben eenzaam
als een vogel op het dak.'


In Sefanja 2:13-14 verdwijnt nog een watervogel. De profeet zegt hier dat God 'Nineve tot een wildernis zal maken, dor als een woestijn.' De dieren die daar een schuilplaats zoeken tussen het puin zijn niet langer pelikaan en roerdomp, maar uilen en stekelvarkens. 'Stekelvarken' is een van de betekenissen die het woordenboek geeft bij het Hebreeuwse woord dat in oudere vertalingen met 'roerdomp' vertaald werd.

 

Wilde stier

Er verdwijnen niet alleen dieren, er komen ook diersoorten bij. Naast het stekelvarken is ook de wilde stier nieuw. Dit dier, dat onder andere in Psalm 22 en 29 en in Job 39 voorkomt, werd in de Statenvertaling een eenhoorn genoemd. Met deze vertaling sloot de Statenvertaling aan bij de Septuagint en de Vulgaat. Volgens de NBG-vertaling van 1951 gaat het om een woudos. De Groot Nieuwsbijbel spreekt van een stier of een buffel, de Willibrordvertaling van een buffel of een oeros, en volgens sommige onderzoekers zou het ook een spiesbok kunnen zijn. In ieder geval is het een sterk dier met machtige horens. In De Nieuwe Bijbelvertaling wordt dit dier 'wilde stier' genoemd. In Job 39:9 vraagt God aan Job: 'Zou de wilde stier bereid zijn jou te dienen, zou hij willen overnachten bij je voederbak? Kun jij hem met een touw voren laten trekken, zou hij achter jou de dalgrond eggen? Kun je op hem vertrouwen, zo sterk als hij is, en aan hem het werk overlaten? Ben jij er zeker van dat hij binnenhaalt wat jij gezaaid hebt en het naar de dorsvloer brengt?' Na de wilde ezel in Job 39:5-8 die niet naar drijvers wil luisteren, past in vers 9-12 heel goed een wilde stier, die zich niet laat lenen voor het werk dat normaal door een os wordt gedaan.
Geen pelikaan, geen roerdomp en geen woudos meer. Maar wel stekelvarkens en wilde stieren. Kamelen, ezels, schorpioenen en adders, ze zijn allemaal nog in de bijbel te vinden. En al dreigden de struisvogels even uilen of oehoes te worden, ook zij staan weer in de rij van vogels die gelden als oneetbaar: 'je mag er niet van eten en moet ze als weerzinwekkend beschouwen'.

Clazien Verheul is neerlandicus en werkzaam bij het Nederlands Bijbelgenootschap.

Reageren op deze column? Stuur een e-mail naar info@/dev/nullbijbelgenootschap.nl.

Deze column wordt tevens gepubliceerd in het Friesch Dagblad en Het goede leven.