U of jij - sukkelen met de aanspreekvormen

Vorig jaar verscheen er een interessant proefschrift over een aspect van taalgebruik waar iedereen over mee kan praten. Hanny Vermaas promoveerde op het boek Veranderingen in de Nederlandse aanspreekvormen van de dertiende t/m de twintigste eeuw. Ze citeert Multatuli die in 1880 bij de vijfde druk van zijn toneelstuk 'De bruid daarboven' verzucht dat hij bij de correctie 'erg gesukkeld' heeft met de tweede persoon: "'Gy, je, jou, jouw, u', hoe is 't eigenlyk? Ik wasch m'n handen in onkunde."

U of jij? Het is ook voor de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling niet eenvoudig geweest. Veel talen kennen geen onderscheid tussen een beleefdheidsvorm en een vertrouwelijke vorm bij het aanspreken van personen. Het Engels gebruikt 'you' in het spreken tegen een kind en om contact te leggen met onbekenden. Ook in de brontekst van de bijbel wordt noch in het Hebreeuws, noch in het Grieks het onderscheid in aanspreekvormen gemaakt dat het Nederlands wel kent. Dat onderscheid is in de praktijk van het taalgebruik niet zo gemakkelijk, vooral omdat het gebruik van 'u' of 'jij' in de loop van de tijd verandert.

Om te voorkomen dat in de NBV de mensen in Genesis 'u' tegen elkaar zeggen, en in 1 Samuël 'jij' is er al vroeg in het vertaalprojectoverleg geweest over de aanspreekvormen. Afgesproken is dat zowel de verhouding tussen mensen als de situatie waarin ze met elkaar spreken belangrijk is om te bepalen of men elkaar tutoyeert of vousvoyeert. Kennen mensen elkaar of niet? En is er sprake van afstand of van vertrouwen, van eerbied en beleefdheid of van neerbuigendheid, of minachting?

Maar ook met zulke vragen is het nog niet eenvoudig om te beslissen welke aanspreekvorm de juiste is. In de NBV worden groepen mensen altijd met 'u' aangesproken, dat wil zeggen als Mozes, Jozua of Jezus aan het woord is; God zegt tegen mensen 'je' en 'jij' en tegen zijn volk dus 'jullie'. Maar in profetische teksten is het lastig: de profeet is aan het woord, maar als het ware met een dubbele stem, want hij spreekt de woorden van God. En de aard van zijn spreken is bijzonder indringend, een profeet zit de mensen zo dicht op de huid dat een afstandelijk 'u' niet goed zou passen. Dus zeggen ook profeten 'jullie' tegen het volk. Een andere situatie is te vinden in de brieven in het Nieuwe Testament. Ook Paulus zoekt vaak indringend contact met de mensen die hij aanspreekt. Het verschil met de profeten is de vorm waarin dat gebeurt: in de profetische boeken wordt de indruk gewekt dat de profeet zijn gehoor direct toespreekt, terwijl Paulus' betoog de vorm heeft van een brief en daarom is gekozen voor de u-vorm.

Jezus zegt 'u' als hij tegen een menigte mensen spreekt of als hij in discussie is met een groep Farizeeën. Maar als hij Farizeeën en schriftgeleerden huichelaars noemt, slangen, addergebroed (Matteüs 26:29-33) - blijft het dan 'u'? Bij een discussie over dit hoofdstuk meenden sommige vertalers dat je van boosheid vanzelf gaat tutoyeren, maar een ander kon levendig voordoen hoe hij woedend tekeer kan gaan tegen een automobilist die hem zijn voorrang niet gunt, en hoe hij toch 'u' blijft zeggen, juist dan.

En hoe spreekt Jezus de mensen aan die hij geneest? Hoewel het voor hem onbekenden zijn, kozen we aanvankelijk toch voor tutoyeren, omdat 'u' zo afstandelijk is bij de intense situatie die ontstaat. Maar in de praktijk van het vertalen vonden we 'je' en 'jij' toch niet goed: het klinkt wat neerbuigend en doet denken aan de manier waarop patiënten in ziekenhuizen benaderd worden zodra ze de receptiebalie passeren.

De keuze voor de simpele woorden 'u' of 'jij', 'uw' of 'jouw', is in de NBV nooit vanzelfsprekend gemaakt, en in sommige situaties zou ook een andere keuze te verdedigen zijn. Maar over 'onkunde' en 'sukkelen' zal in het nawoord waarschijnlijk niet gesproken worden.

Clazien Verheul
Wetenschappelijk vertaalcoördinator neerlandistiek Nederlands Bijbelgenootschap

Bron: Nederlands Bijbelgenootschap.
Deze column is eerder gepubliceerd in het Friesch Dagblad.