Omdat ik mijn fietssleutel thuis had laten liggen, moest ik onlangs weer eens de twintig minuten lange wandeling maken van station Haarlem naar het kantoor van het Nederlands Bijbelgenootschap. Nu mag de lezer van mij best weten dat sport niet mijn grootste hobby is. Op de middelbare school leidde die aversie soms tot confrontaties met leraren, maar ik kon altijd naar de bijbel grijpen om te 'bewijzen' dat ik gelijk had. In 1 Timoteüs 4:8 staat namelijk (in de NBG-vertaling 1951): 'Want de oefening van het lichaam is van weinig nut'. Deze spreuk kwam tijdens mijn wandeling weer bij me boven. Eenmaal aangekomen op mijn werk keek ik hoe deze belangrijke wijsheid in De Nieuwe Bijbelvertaling terecht gekomen was. Tot mijn schrik las ik daar: 'Oefening van het lichaam heeft wel enig nut'.
Lichamelijke oefening
Wat is er gebeurd in 1 Timoteüs 4:8? Een min of meer woordelijke vertaling van het hele vers luidt: 'Want de oefening van het lichaam is nuttig tot weinig, maar de godsvrucht is nuttig tot alles, omdat zij een belofte inhoudt met betrekking tot het huidige en het komende leven.' Het woordje 'want' in deze vertaling laat zien dat het vers aansluit op het voorafgaande vers. Daar staat 'oefen jezelf in godsvrucht'. Het Griekse woord voor 'oefenen' in vers 7 en 8, 'gumnazô', is in het Nederlands terechtgekomen via het woord 'gymnastiek'. In het Grieks werd het voornamelijk gebruikt om sportbeoefening mee aan te duiden, lichamelijke training.
In 1 Timoteüs 4:7 en 8 worden in een woordspel met het woord 'gumnazô' lichamelijke training en godsdienstige oefening tegenover elkaar gezet. Sommige uitleggers suggereren dat met lichamelijke training godsdienstige ascese bedoeld wordt, bijvoorbeeld het afzien van lekker eten en drinken, of seksuele onthouding, of zelfs zelfkastijding. De schrijver van de brief zou dus niet gymnastiek en sport afwijzen, maar religieuze ascese.
Het is moeilijk vast te stellen of dit klopt of niet. Ascetisch gedrag komt verder niet aan de orde in de brief. De nadruk ligt op heel andere zaken. Zo staat in 6:11 'Streef naar rechtvaardigheid, vroomheid, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid', en in 6:17-18: 'Draag de rijken van deze wereld op niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet in zoiets onzekers te stellen als rijkdom, maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten. En draag hun op om goed te doen, rijk te zijn aan goede daden, vrijgevig, en bereid om te delen.' Het gaat volgens deze brief dus om het dienen van God en de naaste, en niet om lichamelijke prestaties, of het nu in de vorm van sport is of van zelfkastijding.
Maar is de lichamelijke oefening nu wel of niet nuttig? De woordelijke vertaling hierboven laat al een beetje zien dat er een contrast gemaakt wordt tussen lichamelijke oefening en godsvrucht. De auteur van de brief is voorzichtig. Hij zegt niet dat lichamelijke oefening volstrekt nutteloos is. Hij zegt dat het 'nuttig is tot weinig'. In goed Nederlands zeg je dan ofwel 'het heeft weinig nut' ofwel 'het heeft wel enig nut, maar ...' Dat laatste is de keuze van De Nieuwe Bijbelvertaling. De verzen 7b en 8 luiden: 'Oefen jezelf in een vroom leven. Oefening van het lichaam heeft wel enig nut, maar het nut van een vroom leven is grenzeloos, omdat het een belofte inhoudt voor dit leven en het leven dat komen zal.' De inhoud is dezelfde gebleven, geformuleerd in soepel Nederlands, maar de zin is te groot geworden voor een tegeltje.
Nieuwe spreuken
Gelukkig zijn er in elke bijbelvertaling tegeltjeswijsheden te vinden, en ik heb inmiddels in De Nieuwe Bijbelvertaling een andere spreuk gevonden die me erg aanspreekt: 'iemand die een zwak geloof heeft eet alleen groenten' (Romeinen 14:2). Gelukkig voor de vegetariërs is er ook een tegenspreuk te vinden: 'Beter een karige schotel groenten en liefde / dan een vetgemeste os en haat' (Spreuken 15:17). Correct bijbelgebruik? Ik denk van niet. Maar wel leuk!
Rieuwerd Buitenwerf
Nieuwtestamenticus bij het Nederlands Bijbelgenootschap
Reageren op deze column? Stuur een e-mail naar info@bijbelgenotoschap.nl.
Deze column wordt tevens gepubliceerd in het Friesch Dagblad en Het goede leven.