Poëzie in het Nieuwe Testament

Nederlandse gedichten herken je in de eerste plaats aan de lay-out: verhalen worden gewoonlijk in doorlopende alinea's afgedrukt, gedichten in losse regels en strofen. Bij Griekse gedichten uit de Oudheid ligt dat anders. In de handschriften werden woorden meestal niet eens van elkaar onderscheiden, laat staan dichtregels en strofen. Maar er was wél poëzie. Sterker nog, de oudste Griekse teksten zijn allemaal poëtisch; denk bijvoorbeeld aan de boeken van Homerus. Een zeer belangrijk kenmerk waaraan Griekse poëzie te herkennen is, is het gebruik van metrum. In Griekse poëzie houdt metrum in dat lange en korte lettergrepen elkaar in een vaste volgorde afwisselen en dat er een minimaal en een maximaal aantal lettergrepen in een versregel zit.
Voor een bijbelvertaler is het belangrijk om te weten of er ook gedichten in het Griekse Nieuwe Testament staan, omdat die dan in het Nederlands ook als gedichten moeten worden vertaald en weergegeven. Een eerste antwoord is nee. Wie ervan uitgaat dat metrum het belangrijkste kenmerk van Griekse gedichten is, vindt geen gedichten in het Nieuwe Testament. Er zijn een paar citaten van Griekse dichters (bijvoorbeeld in Titus 1:12 en Handelingen 17:28), maar daar gaat het steeds om één regel, en dat is nog geen gedicht. Volgens strakke Griekse maatstaven is er dus nagenoeg geen poëzie te vinden in het Nieuwe Testament.



Toch poëzie in het Nieuwe Testament?

Maar zo gemakkelijk ligt het niet. In de tijd waarin de boeken van het Nieuwe Testament geschreven werden was de Septuaginta (de oudste Griekse vertaling van het Oude Testament) de bijbel van de christenen. In deze Griekse vertaling zijn ook poëtische passages te vinden, maar die zien er anders uit dan 'gewone' Griekse gedichten. Hebreeuwse gedichten hebben andere kenmerken dan Griekse. Heel belangrijk is bijvoorbeeld het gebruik van parallellismen: in de tweede (en vaak ook derde) regel wordt voortgeborduurd op de eerste regel, soms door herhaling, soms door versterking, of op een andere manier. In het Oude Testament zijn veel poëtische boeken of passages te vinden waarin dat parallellisme te zien is. In de Septuaginta zijn die parallellismen niet omgezet in dichtregels in metrum, maar vertaald in niet-metrisch Grieks. Zo ontstond een soort mengvorm van Hebreeuwse en Griekse poëzie.
De poëzie uit de Septuaginta had invloed op de vroegchristelijke literatuur. Twee goede voorbeelden staan in Lucas 1, de lofzang van Maria (1:46-55) en de lofzang van Zacharia (1:68-79). Naar Griekse maatstaven zijn dit geen gedichten, maar de opbouw is sterk verwant aan die van de Psalmen en aan bijv. de lofzang van Hanna in 1 Samuël 2:1-10. In De Nieuwe Bijbelvertaling zijn de lofzangen van Maria en Zacharia in Lucas dan ook weergegeven als poëzie.



Hymnen van het vroege christendom?

De eerste christenen maakten ook hymnen (liederen) om tijdens hun samenkomsten te zingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Kolossenzen 3:16: '(...) zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft.' Er zijn geen complete hymnen uit de begintijd van het christendom bewaard gebleven, maar veel exegeten betogen dat Paulus in zijn brieven af en toe citeert uit liederen, zonder dat er expliciet bij te zeggen. Drie bekende voorbeelden zijn Filippenzen 2:6-11, Kolossenzen 1:15-20 en 1 Timoteüs 3:16.
Andere exegeten ontkennen dat vanwege het ontbreken van metrum (andere Griekse hymnen zijn wel metrisch), of omdat ze ervan uitgaan dat Paulus misschien wel een hymne gebruikt heeft, maar die zo bewerkt heeft dat het lied niet meer als poëzie herkenbaar is. Bijbelvertalers moeten een weloverwogen keuze maken. In de Nederlandse tekst is namelijk direct te zien wat ze gekozen hebben, omdat poëzie er nu eenmaal heel anders uitziet dan tekst in proza. Per 'hymne' moet de vertaler afwegen wat te doen, en niet elke vertaler zal dezelfde keuzes maken. Daarvoor zijn de gegevens te onzeker.
In De Nieuwe Bijbelvertaling is in Filippenzen 2:6-11 bijvoorbeeld niet gekozen voor een poëtische weergave, omdat het slot van deze passage volgens de vertalers zoveel woordjes bevat die typisch zijn voor proza dat geen sprake is van echte poëzie. Wel is de compacte manier van formuleren in de vertaling bewaard. In Kolossenzen 1:15-20 en 1 Timoteüs 3:16 is wel gekozen voor een poëtische weergave. De eerste regels van het gedicht in Kolossenzen luiden in De Nieuwe Bijbelvertaling als volgt:

 

'Beeld van God, de onzichtbare, is hij,

eerstgeborene van heel de schepping:

in hem is alles geschapen,

alles in de hemel en alles op aarde,

het zichtbare en het onzichtbare,

vorsten en heersers, machten en krachten,

alles is door hem en voor hem geschapen.

Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem.

Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk.'

 

 

Rieuwerd Buitenwerf is werkzaam als nieuwtestamenticus bij het Nederlands Bijbelgenootschap.

 

Reageren op deze column? Stuur een e-mail naar info@/dev/nullbijbelgenootschap.nl.

 

De columns over De Nieuwe Bijbelvertaling, eerder gepubliceerd in het Friesch Dagblad en Het Goede Leven zijn gebundeld in het boekje 'Lucht en Leegte. Columns over De Nieuwe Bijbelvertaling.' Dit boekje is vanaf begin oktober te vinden in de boekhandel.