Nu kijken we nog in een wazige spiegel ...

Als je 1 Korintiërs 13:12 letterlijk uit het Grieks vertaalt, staat er: 'Want nu zien we nog door een spiegel, in raadselen, maar dan van aangezicht tot aangezicht.' Over deze regel zijn heel wat bladzijden volgeschreven in de vakliteratuur bij de Bijbel. In ieder geval is duidelijk dat het gaat om het kennen van God, en dat er tegenstelling is tussen 'door een spiegel, in raadselen' en 'van aangezicht tot aangezicht'.

Voor een vertaler is het niet alleen belangrijk om de brontekst zo getrouw mogelijk te vertalen, maar ook om een vertaling te maken waarmee moderne lezers kunnen begrijpen waar een tekst over gaat. Niet alle beelden die voor mensen van toen duidelijk waren, zijn dat voor ons nog steeds. Als wij bijvoorbeeld over een spiegel spreken, denken wij aan een voorwerp van glas met een spiegelende laag erachter, waarin we onszelf haarscherp zien. In de Oudheid waren spiegels gemaakt van brons, of van ijzer, zonder glas, en het spiegelbeeld dat mensen uit de Oudheid van zichzelf zagen was lang zo scherp niet als ons spiegelbeeld. Bij de woorden 'door een spiegel' dachten mensen uit de Oudheid dus aan iets anders dan wij nu. Wij denken aan een haarscherp beeld, de ouden aan de reflectie van hun contouren.

Overigens moeten we niet denken dat de mensen vroeger niet tevreden waren met hun spiegels; wij waren 30 jaar geleden ook tevreden met onze mechanische typemachines. Er zijn in boeken uit de Oudheid passages te vinden waarin kwaliteitseisen aan spiegels gesteld worden. Zo schrijft Plutarchus, een Griekse filosoof uit de tweede eeuw na Christus, ergens over een spiegel: 'Als de spiegel een somber beeld reflecteert van een vrolijke man, of een vrolijk en lachend beeld van een diep bedroefde en sombere man, is deze spiegel een waardeloze mislukking.' Uit deze passage wordt overigens ook duidelijk dat Plutarchus op de hoogte was van het bestaan van slechte spiegels, spiegels waarin je jezelf niet goed zag. In andere passages benadrukt Plutarchus dat spiegels geen directe beelden, maar indirecte beelden van de werkelijkheid geven.

Voor de oorspronkelijke geadresseerden van Paulus' brief was het beeld van een spiegel dus niet direct helder. Immers, 'we zien nu door een spiegel' kan zowel duiden op het helder zien van dingen, als op het zien van slechts contouren. Ook zou je kunnen denken aan de indirectheid van het zicht op God; in de volgende regel is namelijk sprake van 'van aangezicht tot aangezicht'. Paulus was zich kennelijk van deze dubbelzinnigheid bewust, want hij voegde de woorden 'in raadselen' toe, ofwel 'onduidelijk'. Je zou dus als vertaler kunnen vertalen met 'Want nu zien we alleen nog maar contouren, via een spiegel'. Maar dan blijven we zitten met het probleem dat voor de moderne hoorder niet duidelijk is wat het verband is tussen 'contouren' en 'via een spiegel'.

In de NBV is gekozen voor de vertaling 'Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar dan zullen we oog in oog met God staan.' Ik vind dat een vernuftige oplossing voor dit moeilijke probleem. Want wie de spiegels uit de Oudheid kent, weet dat deze een vaag, enigszins wazig beeld gaven, en dat 'wazig' daarom een goede weergave is van 'in raadselen'. Wie niets weet van de spiegels in de Oudheid denkt bij een wazige spiegel misschien aan de beslagen spiegel 's ochtends in de badkamer. Maar ook dat is geen probleem: in een beslagen spiegel zie je van jezelf niet meer dan de contouren, en dat is nu precies het beeld dat Paulus hier wilde oproepen.

Rieuwerd Buitenwerf
Wetenschappelijk vertaalcoördinator Nieuwe Testament Nederlands Bijbelgenootschap

Bron: Nederlands Bijbelgenootschap.
Deze column is eerder gepubliceerd in het Friesch Dagblad.