Wie een naam zoekt voor een baby die op komst is, kan diverse handige boekjes raadplegen met pagina's vol populaire en meer klassieke voornamen. Meestal zijn er verschillende schrijfwijzen van een naam mogelijk. Wordt het Luuk, Luc of Luke? Nemen we Mirjam, Miriam, Miryam, Myrjam of Myriam? Voor de keuze van de naam hebben de aanstaande ouders wellicht zo hun redenen, de spelling daarvan is vaak een kwestie van smaak.
De schrijfwijze van namen van personen en plaatsen in Nederlandse bijbelvertalingen is een opmerkelijk vertaalprobleem. Eeuwenlang zijn de namen in protestantse bijbelvertalingen anders gespeld dan in de rooms-katholieke. Door eenvoudigweg op de spelling van de bijbelse namen te letten was het mogelijk de kerkelijke achtergrond van een bijbeluitgave te achterhalen. Wie in een bijbel boektitels zag als Rechters, Isaias, Abdias, Mikeas, Sophonias en Aggeus, die had een rooms-katholieke vertaling in handen. In protestantse bijbels heetten die boeken Richteren, Jesaja, Obadja, Micha, Zefanja en Haggai. Niet alleen de namen van de bijbelboeken, ook die van bekende bijbelse personen en plaatsen werden in de rooms-katholieke en de protestantse traditie verschillend geschreven en uitgesproken. Vergelijk bijvoorbeeld Jona en Jonas, Noach en Noë, Otniël en Otoniël, Aod en Ehud, Zacharia en Zakarias, Maleachi en Malakias.
Traditionele verschillen
Vanaf de 16de eeuw tot in de tweede helft van de 20ste eeuw hebben deze verschillen in spelling bestaan. In grote lijnen heeft dat te maken gehad met het feit dat de protestantse bijbelvertalers vanaf de 16de eeuw de spelling vooral baseerden op de uitspraak van Hebreeuwse en Griekse namen in de originele bijbeltekst. In rooms-katholieke uitgaven volgde men sinds de 16de eeuw de traditie van spellen die toen in Nederlandse bijbeluitgaven gebruikelijk was (o.a. de Delftse bijbel) en die terugging op de Latijnse Vulgata.
In de 20ste eeuw is het spellingsbeleid in beweging gekomen. De vertalers van de Petrus Canisiusvertaling (gereed gekomen in 1939) pasten een nieuwe spelling toe. Dat bleek bijvoorbeeld uit de schrijfwijze van een aantal persoonsnamen in het boekje Ruth. In de rooms-katholieke traditie spelde men die vanouds als Elimelech, Noemi, Mahalon, Chelion en Ruth (in het Latijn Helimelech, Noemi, Maalon, Chellion en Ruth). In de Petrus Canisiusvertaling echter is de spelling van die namen Elimelek, Noömi, Machlon, Kiljon en Rut geworden. Die schrijfwijze is niet gebaseerd op de Latijnse vorm van de bijbelse namen, maar op de Hebreeuwse vorm.
Verzet tegen nieuwe spelling
In de jaren zestig van de vorige eeuw besloten het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting voor hun bijbeluitgaven één schrijfwijze van bijbelse namen te hanteren. Vanaf 1963 werkte men gezamenlijk aan de vaststelling en toepassing van een nieuw spellingsysteem. De Petrus Canisiusvertaling was daarbij het lichtend voorbeeld. Toen eenmaal bekend werd dat het NBG en de KBS werkten aan een andere spelling van de bijbelse namen, ontstond er groot tumult. Sommigen vreesden een spellingsrevolutie. 'Jesjangjahoe en Tsidqijahoe woonden in Jeroesjalaim' luidde een kopje boven een artikel op pagina 2 van De Rotterdammer van 11 september 1965. De bijbelorganisaties brachten daar tegen in dat een dergelijke exotiserende schrijfwijze van bijbelse namen zeker niet de bedoeling was: 'Jesaja en Hizkia woonden gewoon in Jeruzalem'.
De samenwerking van het NBG en de KBS resulteerde in 1968 in de eerste publicatie van een lijst met bijbelse namen in een nieuwe spelling. Men had dusdanige transcriptieregels gekozen dat de namen in het Nederlands goed leesbaar en goed uitspreekbaar werden. Verder had men de spelling van namen die als ingeburgerd konden worden beschouwd, zoveel mogelijk gerespecteerd.
Consequente transcriptie
In 1975 was de nieuwe spelling in zo goed als alle bijbeluitgaven doorgevoerd. In de NBG-vertaling 1951 moesten vele namen die overgenomen waren uit de Statenvertaling worden aangepast, omdat het nieuwe spellingsysteem veel consequenter was dan wat de Statenvertalers ooit hadden bedacht. Om nog even bij het voorbeeld van de namen in het boekje Ruth te blijven: die zijn vanaf 1968 gespeld als Elimelek, Noömi, Machlon, Kiljon en Ruth. Daar heeft men in de loop van de tijd wel kritische kanttekeningen bij geplaatst. In Noömi klinkt bijvoorbeeld wel precies de uitspraak van de Hebreeuwse vorm door, maar moest men van de schrijfwijze Naomi niet zeggen dat die als ingeburgerd kon worden beschouwd? Dat laatste gold echter wel voor de protestantse traditie, maar niet voor rooms-katholieke. Door dichtbij de Hebreeuwse vorm te blijven werd voor beide tradities een verantwoorde transcriptie geboden.
Met het oog op de verschijning van de interconfessionele De Nieuwe Bijbelvertaling op 27 oktober 2004 hebben het NBG en de KBS de spelling van de bijbelse namen nog eens onder de loep genomen. In september 2003 gaven zij hun goedkeuring aan een lichte herziening. Het beleid om de gebruikelijke spelling van ingeburgerde namen te handhaven is niet gewijzigd. Wel zal in De Nieuwe Bijbelvertaling de k in namen als Jokebed en Elimelek geschreven worden als ch. De moeder van Mozes zal dan Jochebed heten, en Elimelech zal de naam van de man van Noömi zijn.
Jaap van Dorp
Oudtestamenticus bij het Nederlands Bijbelgenootschap
Reageren op deze column? Stuur een e-mail naar info@bijbelgenootschap.nl.
Deze column wordt tevens gepubliceerd in het Friesch Dagblad en Het goede leven.