Pasen en Pinksteren zijn de vroegste christelijke feesten. Al in de vroege kerk omvatte Pasen de viering van het lijden, de kruisdood en de opstanding van Christus. In de paasnacht werd er gedoopt en vierde men de eucharistie, en de paasmorgen betekende het einde van de vastentijd. Op een of andere manier houden alle genoemde aspecten van het paasfeest verband met bijbelse gegevens in de vier evangeliën van het Nieuwe Testament, maar geldt dat ook voor Pasen als speciale feestdag?
Aanvankelijk vierden christenen het paasfeest op de 14de dag van de maand nisan. Dat is ook de dag van het joodse Pesach, het feest waarop de Joden de bevrijding van Israël uit Egypte herdenken (zie met name Exodus 12-13). Het is de dag van de eerste volle maan na het begin van de lente. In de zeven daarop volgende dagen valt het feest van het Ongedesemde brood. Het woord Pesach kan daar ook naar verwijzen.
Maar niet voor alle christenen viel Pasen op dezelfde dag als het joodse Pesach. Sinds de tweede eeuw vierde men in Rome en andere plaatsen Pasen op de zondag na 14 nisan. De keuze voor die dag kwam beter overeen met de overlevering over de opstanding die volgens de evangelisten plaatsvond op de zondag na de 14de van de maand nisan. Tijdens het concilie van Nicea in 325 werd die basis voor de berekening van de paasdatum overgenomen.
Met het verschuiven van de datum werd de band met Pesach losser en kreeg men behoefte aan een andere invulling van de gedenkdag. De relatie met het joodse Pesach werd formeel nog wel bewaard via de koppeling met de stand van de maan. Maar de nadruk viel niet langer op de uittocht uit Egypte: het lijden en sterven en de opstanding van Jezus kwamen centraal te staan. Pasen en Pesach werden meer en meer feesten die kenmerkend waren voor verschillende tradities. De woorden Pasen en Pesach roepen twee verschillende werelden op.
Het christelijke paasfeest staat niet op de kalender van feestdagen in de Bijbel, het is van latere datum. Het gaat in het Oude en Nieuwe Testament om het joodse Pesach. Dat ligt voor de hand, maar het komt niet in alle bijbelvertalingen duidelijk tot uitdrukking. In de NBG-vertaling 1951 bijvoorbeeld is standaard gekozen voor de aanduiding Pascha, als er in het Hebreeuws pèsach of in het Grieks pascha staat. Pascha is Aramees voor het Hebreeuwse woord Pesach, en het woord verwijst steeds naar het feest waarop de Joden jaarlijks de uittocht uit Egypte gedenken. Toch komen daarnaast in de NBG-vertaling 1951 ook samenstellingen als paasfeest en paaslam in de vertaling voor. Die woorden doen in de Nederlandse context sterk aan het christelijke Pasen denken, en zo wordt de lezer makkelijk op het verkeerde been gezet. Dat is ook het geval in de Groot Nieuws Bijbel en de Willibrordvertaling, waarin Pascha moest plaats maken voor Pasen, paasfeest en dergelijke.
In De Nieuwe Bijbelvertaling is in al deze gevallen het woord Pesach gebruikt. Pesach is weliswaar een leenwoord, maar het is zeker voldoende ingeburgerd in onze taal, net als het woord Poeriem. En er zijn ook zinvolle samenstellingen mee te maken zoals pesachoffer en pesachmaal, woorden die ondubbelzinnig passen in de context van de viering van de uittocht uit Egypte, ook in het Nieuwe Testament. Vandaar dat we in De Nieuwe Bijbelvertaling van Lucas 22 bijvoorbeeld woorden als Pesach, pesachmaal en pesachlam tegenkomen. Zoals in Lucas 22:1: 'Het feest van het Ongedesemde brood, dat Pesach genoemd wordt, was bijna aangebroken.' En in vers 7-8: "De dag van het Ongedesemde brood waarop het pesachlam geslacht moest worden, brak aan. Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: 'Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.'" Hier is duidelijk niet Pasen bedoeld zoals dat bij velen bekend is als een verwijzing naar de opstanding, maar wel de 14de dag van de maand nisan van de joodse kalender.
Reageren op deze column? Stuur een e-mail naar info@bijbelgenootschap.nl
Jaap van Dorp, oudtestamenticus bij het Nederlands Bijbelgenootschap
Bron: Nederlands Bijbelgenootschap
Deze column is eerder gepubliceerd in het Friesch Dagblad en Het goede leven.