Het bijbelboek Hooglied gaat over twee mensen die verliefd zijn, naar elkaar verlangen en op allerlei manieren bezingen hoe mooi ze elkaar vinden. De schoonheid van de geliefde wordt vooral in beelden en vergelijkingen uitgedrukt. Het haar van het meisje golft als een kudde geiten die neerdaalt van de bergen, zijn lokken ziet ze als dadeltrossen, haar ogen zijn duiven, zijn benen zuilen van albast, zij is als een lelie tussen de distels, hij als een appelboom tussen de bomen van het bos. Niet alle beelden zijn even toegankelijk voor de moderne lezer; het meisje wordt ook vergeleken met een merrie voor farao's wagen, en zij noemt hem een bundel mirre.
'Laat hij mij kussen, laat zijn mond mij kussen!' zo overvalt de tekst de lezer. Even later, in Hooglied 1:5, introduceert het meisje dan zichzelf: ze is 'donker' , ze is 'mooi'. In de Statenvertaling staat het zo: 'Ik ben zwart, doch liefelijk'. Een donkere huid lijkt niet samen te kunnen gaan met schoonheid. Al in de Vulgaat, aan het eind van de vierde eeuw, werd met 'nigra sum sed pulchra' voor deze interpretatie gekozen, en zo klinkt het nog in de Mariavespers van Monteverdi. Maar toen de Groot Nieuws Bijbel in 1983 'Al is mijn huid donker, toch ben ik mooi' vertaalde, kwam er kritiek. Men vond de vertaling met zijn tegenstelling tussen donker en mooi discriminerend voor donkergekleurde mensen. Er zijn inderdaad ook vertalingen die kiezen voor 'en' als verbinding: 'zwart ben ik, en lieflijk' zegt het Hooglied van de Societas Hebraica Amstelodamensis (SHA) uit 1998.
Op grond van het Hebreeuws zijn beide vertalingen mogelijk. Het verbindingswoordje kan 'en', 'maar' of 'toch' betekenen, dat hangt van de context af. Een argument voor 'maar' is te vinden in het vervolg van de tekst. In Hooglied 1:6 staat 'Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben, omdat de zon mij heeft gebrand.' Een door de zon gebruinde huid wordt in onze cultuur weliswaar gewaardeerd - hoe bruiner hoe mooier - maar dat is een vrij recent schoonheidsideaal. Vroeger was juist een lichte huid een teken van welstand: wie arm was werkte op het land en werd bruin en verweerd in de zon Ook voor het oude nabije oosten geldt: hoe lichter hoe mooier.
Toch plaatst De Nieuwe Bijbelvertaling de eigenschappen waarmee het meisje zichzelf aanduidt naast elkaar: 'donker ben ik, en mooi'. De achterliggende reden is niet een politieke correctheid zoals sommige meelezers in het project vermoedden. Ook voor de NBV ligt het argument in de context. In het directe vervolg van de zin staat een vergelijking 'als de tenten van Kedar, als het doek van Salomo's tenten'. Het meisje is net zo mooi als de donkere bedoeïenententen die gemaakt zijn van zwart geitenhaar. Door de komma na 'donker ben ik' en voor 'en mooi' staat er net iets meer dan twee naast elkaar geplaatste typeringen. Er ontstaat even een spanning die aangehouden wordt in de vergelijking, donker en mooi als de tenten, en dan uitloopt op vers 6: níet donker en lélijk. Schoonheid en een donkere tint blijken heel goed samen te kunnen gaan.
In Hooglied 6:4 wordt het meisje door haar geliefde niet alleen mooi genoemd maar ook ontzagwekkend. Hij vergelijkt haar met de mooie stad Tirsa, met het lieflijke Jeruzalem en vervolgens met iets indrukwekkends, waarvoor het Hebreeuws een woord geeft dat maar één keer voorkomt in de bijbel. Het beeld komt terug in 6:10 waar zij helder als de maan en stralend als de zon zou zijn. Er zijn veel verschillende interpretaties voorgesteld. Volgens de woordenboeken heeft de betekenis van dit zeldzame woord met sterren te maken of met vaandels van een leger. Beide keuzes zijn in Nederlandse en buitenlandse vertalingen terug te vinden: 'indrukwekkend als de sterrenhemel' (Groot Nieuws Bijbel), maar ook 'als een vaandelparade' (de vertaling van Drijvers en Renkema), ontzagwekkend 'als een leger in slagorde' (Willibrordvertaling), of 'als troepen onder het vaandel' (SHA).
De vertalers van De Nieuwe Bijbelvertaling kozen voor de vaandelachtige betekenis, omdat er een verwant woord in hoofdstuk 2:4 staat, in de NBV vertaald als 'het vaandel van zijn liefde'. Ze hebben gezocht naar een beeld dat beter bij een meisje past dan het beeld van een heel leger, en kwamen zo op 'vaandelvrouw' . Je kunt denken aan een sterke vrouw die in de oorlog in de voorste gelederen rijdt, hoog op een kameel. Zij draagt het stamvaandel en moedigt de strijders aan. Je zou haar een 'vaandeldraagster' kunnen noemen, maar dat is een lastig woord in het ritme van het gedicht, en 'vaandelvrouw' klinkt indrukwekkend en strijdbaar. Omdat dat woord nog niet in een woordenboek op te zoeken is, zal het in de woordenlijst achterin De Nieuwe Bijbelvertaling toegelicht worden. In de NBV komt te staan in Hooglied 6:10:
Wie is zij,
die daar oplicht als de dageraad,
zo helder als de volle maan,
zo stralend als de zon,
zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw?
Clazien Verheul is wetenschappelijk vertaalcoördinator neerlandistiek bij het Nederlands Bijbelgenootschap.
Bron: Nederlands Bijbelgenootschap.
Deze column is gepubliceerd in het Friesch Dagblad.
|
|
Overzicht van columns |