De Bijbel is niet weg te denken uit de geschiedenis van de Nederlandse literatuur en beeldende kunst. Daarbij moet men niet alleen denken aan het verre verleden, aan de Middeleeuwen en de Renaissance, de tijd waarin Bosch en Rembrandt nog schilderden en Vondel zijn toneelstukken schreef. Er is ook literatuur van recente datum die direct teruggaat op een bijbels motief. In het boek Mevrouw en Meneer Richebois van F. Bordewijk uit 1954 staat een kort verhaal, verteld naar aanleiding van een bijzondere gebeurtenis tijdens de regering van Asa, die rond het begin van de 9de eeuw v.Chr. koning van Juda was (volgens 1 Koningen 15:9-24).
Het verhaal gaat dat koning Asa in gezelschap van honderd zwaarbewapende mannen, waaronder een zekere Safan, ten strijde trekt tegen een beeld dat is opgericht, ergens in een uitgestrekt woud, gelegen tussen de steden Beëra en Dok. Na een zoektocht van een paar dagen komt de koning met zijn manschappen uit op een laan in een donker bos. De mannen vermoeden dat zij het doel van hun reis bijna hebben bereikt. Boven hen begint de hemel zich te welven als een loden plaat, de hitte neemt langzaam maar zeker toe, en het wordt rondom hen huiveringwekkend stil als in een graf. De koning spoort zijn onderdanen aan hem te volgen. Moedig gaat hij met zijn zwaard voorop. Sommigen volgen hem, anderen bezwijken van angst en vluchten met een schreeuw weg. Safan die nog altijd in de uitgedunde gelederen weet stand te houden, ziet aan het einde van de laan op een open plek een gigantisch beeld, dat hem aan de reuzen in het boek Genesis doet denken. Hij is diep onder de indruk, het beeld lijkt zich te verheffen als een roofdier. Op het moment dat hij meent te zien hoe het zijn spieren samenspant voor een sprong tot boven de toppen der bomen en in het midden van het inmiddels gedecimeerde gevolg van de koning, vlucht ook Safan gillend de andere kant uit. Hij blijkt niet sterk genoeg van geest om de aanblik van het beeld te verdragen. Verbijsterd en volkomen in de war keert hij na enige tijd in zijn geboorteplaats terug. Het duurt zes weken eer hij zijn dagtaak, het hoeden van de kudden op de heuvels, kan hervatten.
Duidelijk is dat het gedeelte inde Statenvertaling voor Bordewijk de inspiratiebron van zijn verhaal over koning Asa is geweest. Aan het slot van zijn verhaal staat een bijbelcitaat uit de Statenvertaling waarin wordt meegedeeld dat Asa korte metten maakte met 'alle de drekgoden die zijn vaders gemaakt hadden, ja zelfs zijn moeder Maächa, die zette hij ook af, dat zij geen Koningin was, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijke afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron' (1 Koningen 15:13).
De vertaling 'een afgrijselijke afgod in een bos' is typerend voor de Statenvertalers. In een kanttekening geven zij aan dat het hier zou kunnen gaan om een figuur uit de godenwereld, vergelijkbaar met Priapus en Pan. Priapus was een god van de mannelijke vruchtbaarheid. Pan was de Griekse god van het bos, de beschermer van kudden en jagers. Hij wordt voorgesteld als een sater met horens en bokkenpoten, en waar hij opduikt zorgt hij voor paniek en panische angst. De Statenvertalers hebben hier de exegese gevolgd die in hun tijd als verantwoord gold.
Tegenwoordig wordt de tekst anders geïnterpreteerd, met name het Hebreeuwse woord asjera. De Statenvertalers vertaalden het woord overal in het Oude Testament met 'bos', en zorgden zo voor een verhaalelement dat Bordewijk zo voortreffelijk kon benutten. In feite blijkt het te gaan om een eigennaam, en wel de naam van de Kanaänitische moedergodin Asjera! In De Nieuwe Bijbelvertaling heeft Maächa niet een afgrijselijk afgod in een bos laten maken, maar een aanstootgevend beeld van de godin Asjera. Het kan zijn dat de tekst hier zinspeelt op een periode in de geschiedenis van Israël waarin naast JHWH ook een godin werd vereerd. In elk geval zou waarschijnlijk buiten de officiële eredienst en vooral bij vrouwen de moedergodin Asjera als partner voor Israëls God aanvaardbaar zijn geweest.
Hoe dit ook zij, Asa wordt door de auteur van het boek Koningen voorgesteld als een beeldenstormer die zich inzet voor vermindering van Kanaänitische invloeden op de godsdienst van zijn tijd. Via de naam Asjera wordt ook duidelijker waartegen de godsdiensthervorming is gericht. Door het wegvallen van het onheilspellende bos verliest het verhaal weliswaar een interessant literair motief, maar de winst is dat De Nieuwe Bijbelvertaling het origineel wel beter weergeeft. En een aanstootgevend beeld van een godin zal de creativiteit van moderne literatoren vermoedelijk ook wel kunnen prikkelen.
Reageren op deze column? Stuur een e-mail naar info@bijbelgenootschap.nl
Jaap van Dorp is oudtestamenticus bij het Nederlands Bijbelgenootschap
Deze column wordt tevens gepubliceerd in het Friesch Dagblad en Het goede leven.