De prijslijst van een smid

Een bijbelvertaling maken die alle andere vertalingen overbodig maakt, is een onbegonnen werk. De bijbel moet steeds opnieuw vertaald worden, en daar zijn verschillende redenen voor te geven. Eén daarvan is dat bijbelwetenschappers vaak nieuwe ideeën aanreiken over de betekenis van een tekst waarmee vertalers hun voordeel kunnen doen. Het onderzoek naar de sociale en culturele achtergrond van de bijbel werpt vaak een nieuw licht op duistere passages in het Hebreeuwse en Griekse origineel.

Zijn die er dan, duistere passages in de bijbel?
Jazeker, en meer dan bijbelvertalers lief is. Neem 1 Samuël 13:19-22. Daarin staat een korte toelichting op de deplorabele toestand van de bewapening van de Israëlieten ten tijde van koning Saul. Als gevolg van het Filistijnse monopolie voor ijzerbewerking ontbrak het de Israëlieten aan wapens om zich te verdedigen tegen plunderaars. Het monopolie werd vermoedelijk in stand gehouden door het roven van gereedschap en het vernielen van ovens. Dat had niet alleen militaire, maar ook economische gevolgen: voor het vervaardigen en het onderhoud van landbouwgereedschap moest de Israëlitische boer zich tot Filistijnse smeden wenden.

De vraag is of dat ook gebeurde, en het antwoord daarop is afhankelijk van de vertaling van 1 Samuël 13:21. Dat vers bevat een vertaalprobleem dat in verschillende vertalingen verschillend wordt opgelost. De Statenvertalers geven het vers als volgt weer: 'Maar zij (=de Israëlitische boeren) hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.' De boeren bewerkten hun landbouwwerktuigen zelf met 'tandige vijlen' en maakten ze zo weer scherp.

Het woord 'tandig' is opvallend. In het Hebreeuws staat een woord met drie medeklinkers: pjm, en daar hebben de Statenvertalers mee geworsteld. In navolging van de King James-vertaling interpreteerden zij het woord als een meervoud van het Hebreeuwse , 'mond'. Via de mond kwamen zij op de tanden, en werden de 'vijlen met monden' uitgelegd als tandige vijlen. In een kanttekening verantwoordden de Statenvertalers deze associatie.

Natuurlijk werkten de Statenvertalers met gegevens uit de bijbelwetenschap van de zestiende en zeventiende eeuw, en die wierpen onvoldoende licht op deze duistere passage. Zij waren niet de enigen die bij de vertaling van 1 Samuël 13:21 met de handen in het haar hebben gezeten. In de Lutherse vertaling lezen we een andere interpretatie van de tekst: 'en de sneden aan de zeisen en houwelen en gaffels en bijlen waren afgestompt, en de prikkels bot geworden.' Het gevolg was dat de landbouw moeilijker te beoefenen werd. Zo ver gaat de Leidse vertaling niet: 'En als zij stomp waren, scherpten zij de ploegscharen en ploegijzers, zoals zij gewoon waren de bijlen aan te zetten en de prikkels te slijpen.' Op welke manier ze dat deden, blijft onduidelijk. De vertaling wordt in een voetnoot verantwoord: 'Lezing en vertaling van dit vers zijn hoogst onzeker. De hier gegeven vertaling is voor het grootste deel gissing.'

Tot in de eerste helft van de twintigste eeuw heeft men geworsteld met dit vers.
Daar kwam verandering in toen bij opgravingen bij Lachis en andere oud-Israëlitische steden gewichtjes werden gevonden waarop in oud-Hebreeuws schrift het woord pjm te lezen was was. Het bleek namelijk te gaan om een gewichtje van 2/3 sjekel, gebruikt in het betalingsverkeer om zeven à acht gram zilver af te wegen.
Het belang van die archeologische vondst is al vrij snel na eerste publicaties daarover algemeen ingezien, en bijbelvertalers en uitleggers hebben er direct gebruik van gemaakt. De Israëlitische boeren gingen weldegelijk naar een Filistijnse smid, en moesten voor het geleverde werk flink betalen. De NBG-vertaling 1951 luidt: 'de prijs nu was twee derde sikkel voor de zeisen en de ploegscharen en een derde sikkel voor de hakken en de bijlen en voor het vastzetten van de prikkels.' In De Nieuwe Bijbelvertaling is de vertaling van vers 20-21: 'Alle Israëlieten moesten hun ploegscharen, hakken, bijlen en sikkels bij de Filistijnen laten slijpen. Dit kostte twee derde sjekel voor ploegscharen en hakken, en een derde sjekel voor bijlen en ossenprikken.'
Het blijkt in 1 Samuël 13:21 gewoon te gaan om tarieven op de prijslijst van een Filistijnse smid. Die kwestie in 1 Samuël 13:21 lijkt nu wel opgelost. Het punt is nog wel dat niet goed bekend is welke gereedschappen er precies zijn bedoeld. Gaat het naast of in plaats van de ploegscharen, hakken, bijlen en ossenprikken ook nog om zeisen en sikkels? Misschien kan een volgende Nederlandse bijbelvertaling met steun van nieuwe archeologische gegevens op die vraag een duidelijk antwoord geven.



Jaap van Dorp is wetenschappelijk vertaalcoördinator Oude Testament bij het Nederlands Bijbelgenootschap.

Bron: Nederlands Bijbelgenootschap.
Deze column is gepubliceerd in het Friesch Dagblad.