De Bijbel heeft door de eeuwen heen veel componisten geïnspireerd tot het schrijven van muziek. Het gaat niet alleen om composities die aanvankelijk bedoeld waren voor een liturgische uitvoering zoals de Matteüspassion. Er zijn ook buiten-kerkelijke kaders en voor een andere sociale context liederen geschreven waarin de invloed van de bijbel op een of andere manier merkbaar is. Zo begint een lied van Hans Dorrestijn: 'O wee, wij zijn maar broze grassen/ Ook al zijn we jong en mooi/ Halmen, schoven, oppers, tassen/ Alle vlees is als hooi.'
Gras en hooi
Wie een beetje thuis is in de Bijbel, ziet hier een verwijzing naar de woorden in Jesaja 40:6 'Alle vlees is gras, en al zijn schoonheid als een bloem des velds.' Ze zijn hier geciteerd uit de NBG-vertaling 1951. Dat het vlees in het lied van Dorrestijn niet met gras maar met hooi wordt vergeleken, heeft wellicht te maken met rijmdwang. Het slot van de vierde regel 'Alle vlees is als ...' moet immers rijmen op 'mooi', het laatste woord van de tweede regel. Maar het kan ook zijn dat de woordkeuze van Dorrestijn op dit punt beïnvloed is door zeer oude bijbelvertalingen in het Nederlands. De vergelijking met 'hooi' in plaats van 'gras' in Jesaja 40:6 komt ook voor in de Moerentorfbijbel uit 1599, en in de Delftse bijbel uit 1477. Een dergelijke bewoording heeft volgens kunsthistorici Hiëronymus Bosch geïnspireerd tot De Hooiwagen, een schilderij uit 1500-1502. Daarin is de vergankelijkheid van het aardse, menselijke bestaan het hoofdthema, zoals dat ook het geval is in het lied van Dorrestijn.
Vlees of mens
In De Nieuwe Bijbelvertaling luidt de tekst van Jesaja 40:6 'De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem.' In het Hebreeuws is een woord gebruikt (basar) dat bijna 300 keer in het Oude Testament voorkomt. Vaak verwijst het naar het (fysieke) vlees van mens of dier, het is een woord voor vlees dat men eet of offert, het kan ook een aanduiding zijn van het menselijk lichaam. In meer abstracte zin kan het Hebreeuwse woord ook slaan op de mensen in het algemeen, op de mensheid of op alle levende wezens zowel mens als dier. Het woord heeft in sommige teksten ook een negatieve bijbetekenis. Het duidt in dat geval op de mens als vergankelijk en krachteloos schepsel. Dat laatste is in Jesaja 40:6 zeker het geval: het is het tegenbeeld van het goddelijke woord dat altijd standhoudt (Jesaja 40:8).
De vertalers hebben de beeldspraak van het vlees niet overgenomen en evenmin een vervangende metafoor gezocht. Geheel volgens de vertaalregels van De Nieuwe Bijbelvertaling is hier de bedoelde concrete betekenis van basar, mens, gekozen. Zo wordt het vers ook in alle commentaren uitgelegd.
Beeldend karakter bewaren
Het gaat erom hier de letterlijke betekenis van het Hebreeuwse woord goed te onderscheiden van de figuurlijke betekenis. Er zullen weinig lezers zijn die bij woorden als 'alle vlees is gras' in de context van Jesaja 40:6 uitsluitend aan iets (on)eetbaars denken. Dorrestijn maakt overigens van die associatie in zijn lied wel handig gebruik door alles heel letterlijk te nemen. Hij vervolgt het eerste couplet met: 'Ai, bedreigd door schapekaken/ Door geitebek en koeiebeet/ Nog mag je van gezondheid blaken/ Je bent vermalen eer je het weet/ In de wei, in stal of kooi/ Alle vlees is als hooi.' De metafoor is in het lied van Dorrestijn op de achtergrond geraakt door de concrete situering van vee in de wei, de stal of de kooi. Maar dat is zeker niet de bedoeling in Jesaja 40:6. In De Nieuwe Bijbelvertaling is er naar gestreefd het beeldend karakter van het origineel zoveel mogelijk te bewaren. Ook al zal niet iedereen direct de oorspronkelijke bedoeling daarvan precies treffen, in het grotere verband van Jesaja 40 wordt de bedoeling van de vergelijking met het gras voldoende duidelijk.
Jaap van Dorp is oudtestamenticus bij het Nederlands Bijbelgenootschap.
Reageren op deze column? Stuur een e-mail naar info@bijbelgenootschap.nl