Waarom een nieuwe bijbelvertaling

Vanaf de jaren 60 van de vorige eeuw zijn heel wat bijbelvertalingen in het Nederlands verschenen. Als er al zoveel verschillende vertalingen te krijgen zijn, waarom is men dan vanaf 1993 zo hard aan het werk geweest om nog een nieuwe vertaling te maken?

Daarvoor is een aantal redenen te noemen. In de eerste plaats was er nog geen nieuwe vertaling die algemeen als kerkbijbel kon functioneren. De Groot Nieuws Bijbel was gemaakt voor gebruik buiten de kerken, en de Willibrordvertaling was een kerkbijbel voor de rooms-katholieke kerk. De vraag naar een bijbelvertaling in hedendaags Nederlands voor kerkelijk gebruik was mede vanwege het verouderde taalgebruik van de NBG-vertaling 1951 wel groot. Aanvankelijk (zelfs vrij kort na verschijning van de NBG-vertaling 1951) werd gesproken over een herziening van de bestaande vertaling. Aan een herziening kleeft echter een belangrijk nadeel: de keuzemogelijkheden van de vertalers worden beperkt, omdat ze moeten werken binnen het keurslijf van een bestaande en ingeburgerde vertaling.

De vraag bood daarom een kans om de andere redenen voor het maken van een nieuwe bijbelvertaling goed uit te kunnen werken. Want in een nieuwe vertaling kunnen ook de nieuwste inzichten in bijbelwetenschap en (ver)taalwetenschap goed tot hun recht komen. Op die manier kan er een vertaling tot stand komen die niet alleen op het niveau van de taal is aangepast aan hedendaagse normen en eisen, maar die ook op andere wetenschappelijke terreinen haar voordeel kan doen met de laatste stand van zaken.

De Nieuwe Bijbelvertaling is bovendien een interconfessionele vertaling waarbij meer dan twintig kerken en geloofsgemeenschappen hun bijdrage hebben geleverd. Niet alleen rooms-katholieke en diverse protestantse kerken, maar ook de joodse gemeenschap was bij het vertaalproject betrokken.